• Home
  • Links
  • Gastenboek
  • Zoeken
  • contact

Verzamelgebied

  • Mijn hobby
  • Vaarroute op Ned. Indië
  • Troepentransportschepen
  • Gezocht

Scheeps- Boordgeld

  • Ontstaan van boordgeld
  • RL en KRL - biljetten
  • HAL - biljetten
  • SMN - biljetten
  • Gecharterde - biljetten
  • Rijnvaart - biljetten
  • VNS - biljetten
  • Zonder Mij.-naam biljetten
  • Hr. Ms. Luymes - biljetten
  • Munten

Molukse schepen

  • De 12 Molukse reizen

Reisverhalen

  • Stirling Castle
  • Alcantara (2 reizen)
    • Kennemerbataljon
  • Nieuw A'dam (4 reizen)
    • Thuisreis no. 62
    • Laatste Uitreis
    • Thuisreis no. 63
  • Ruys
  • Tegelberg
  • Joh van Old. 14 AAT
  • Verb.Dienst X Brigade
  • Sloterdijk (3 reizen)
    • Sloterdijk sept. '47
    • Sloterdijk (dec. '47)
  • Volendam (3 reizen)
    • Volendam (uitreis '48)
    • Volendam (thuisr. '49)
  • Nieuw Holland
  • Zuiderkruis/Waterman
  • Indrapoera 2-4 RI
  • Zuiderkruis (41 ZVE)
  • Kota Inten
  • Groote Beer
  • Pasteur
  • Gen. Stuart Heintzelman

Repatrianten

  • Greet Rooseboom &
  • Dick Rooseboom
  • m.s. "Willem Ruys"

Uitreis met de "Johan van Oldenbarnevelt"

                                                                                                                 

       

Het troepentransportschip "Johan van Oldenbarnevelt"

Vanuit Leeuwarden wordt de compagnie per trein vervoerd naar de Amsterdamse haven. Zoals bij alle transporten met militairen staan op de stations en onderweg marechaussee en agenten voor bewaking. Dit om te voorkomen dat er protesten zijn van tegenstanders die tegen de Ned. Indië-politiek uit Den Haag zijn. Ondanks dat zijn er onderweg ook veel Nederlanders die de jongens van de 14e cie. AAT uitzwaaien bij aanvang van hun verre reis.

De trein staat op het punt van vertrekken 

De dag van vertrek uit Holland

Zaterdag 5 oktober '46: Vanochtend om 04.00 uur wordt in Leeuwarder reveille geblazen en om 05.45 marcheert de cie. af naar het station, waar om 07.00 uur de trein vertrekt. De grote reis naar Nederlandsch Indië is voor hun begonnen! Eenmaal in Amsterdam aangekomen stopt de trein bij de Levantkade, waar alle militairen eerst in een loods worden opgevangen. Hier worden de laatste voorbereidingen voor de grote reis getroffen en krijgen ze koffie met koek en sigaretten. Daarna betreden ze met een plunjebaal over hun nek en onder begeleiding van het Wilhelmus gespeeld door een muziekkorps de loopplank van het schip. Aan boord gaan o.a. de 1e en 30e Hup-Va, diverse afdelingen Veldartillerie, een onderdeel van de Krijgsraad, de Verbindingsdienst, RAO-filmdienst en een detachement voor magazijnbevoorrading,

(Het verblijf van 14e cie. AAT is de komende 30 dagen een zaal met lange rijen tafels en 's nachts hangmatten om in te slapen)

Wanneer alles en iedereen aan boord is wordt om 15.30 uur, onder begeleiding van het muziekkorps die het Wilhelmus speelt, het schip met behulp van sleepboten van de kade getrokken. Over het Amsterdamse IJ gaat het vervolgens via het Noordzeekanaal richting IJmuiden. Overal langs de oevers staan uitzwaaiers, sommigen fietsen zelfs een heel stuk met het schip mee. De "Johan van Oldenbarnevelt", vanaf nu kortweg de 'Johan' genoemd, vaart vandaag tot aan Velsen.

 

Onze 'Johan' vaart over het IJ vergezeld door diverse bootjes met uitzwaaiers

Zondag 6 oktober '46: Om 04.00 uur zijn ze de sluizen van IJmuiden gepasseerd en komen ze de Noordzee. Hollandse militairen (3000 stuks) zien hoe Nederland langzaam maar zeker aan de horizon verdwijnt. Helaas is het slecht weer en al snel krijgt een deel van hen last van zeeziekte. De eerste tussenstop zal Southampton zijn en deze Engelse havenstad wordt vandaag nog bereikt. Het schip gaat hier vannacht buitengaats voor anker en kan de volgende ochtend om 08,30 uur in de haven aanleggen. Hier moeten militaire goederen die afkomstig zijn uit enorme geallieerde dumps worden ingeladen. De Nederlandse regering schijnt veel van dat inmiddels overbodige oorlogsmateriaal te hebben overgenomen.

 

De 'Johan' loopt hier de sluizen van IJmuiden binnen

(Afgelegde afstand Amsterdam - Southampton: 496 mijl)

Dinsdag 8 oktober '46: Vanochtend wordt er door de 14e cie. AAT een parade gelopen door Southampton en vanmiddag om16.00 uur verlaat het schip de haven richting Port Saïd (Egypte). Onderweg worden de jongens beziggehouden met o.a. sloepenrol (het oefenen van een evacuatie met de reddingssloepen), Maleise les, Indische cultuur en gebruiken en de nodige regels die aan boord noodzakelijk zijn voor een goede en veilige overtocht. Zo is het ten strengste verboden om overal op het schip te roken, een brand op volle zee zou immers kunnen uitlopen tot een ramp. Roken mag alleen langs de reling op dan alleen op de aangewezen dekken. Om te voorkomen dat een brandende peuk op een lagergelegen dek terecht komt, zijn langs de reling gootjes met zeewater geplaatst. Aardappelschillen is een dagelijks terugkerend ritueel en dat wordt verdeeld over verschillende corveeploegen gedaan.

 (Er is heel wat eten nodig voor de opvarenden, hieronder een indruk van wat er zoal nodig is voor het inwendige van de mens)

___________________________________

Ontbijt

2000 kg griesmeel, 16.000 snee brood, 3200 eieren, 166 kg boter en 450 kg leverworst

 Middageten

4000 kg aardappelen, 1200 kg rode kool, 700 kg vlees, 3400 appels

Avondeten

2000 liter snert, 16.000 snee brood, en 275 kg worst 
_________________________________________

De voedselvoorraden en wapentuig zitten allemaal opgeslagen diep onderin het schip in enorme laadruimtes. De eetzalen zijn uiteraard niet berekend op zoveel mensen, zodat er in diverse zittingen gegeten moet worden. Niet alleen het nuttigen van de maaltijd, maar in feite alle dagelijkse zaken moeten per eenheid gescheiden worden verricht. Denk hierbij aan het verblijf op de buitendekken, het wassen en drogen van de kleding, de dienstlessen en het oefenen met wapentuig. Voor dit alles is een perfecte organisatie erg belangrijk. Ze moeten per slot 30 dagen lang met 3000 militairen in beperkte ruimtes leven.

Trouwens het transporteren van een dergelijke hoeveelheid militairen en materiaal is voor die tijd, zeker gezien de geringe middelen van het naoorlogse Nederland, wel een logistiek meesterstuk. Het zou overigens de grootste militaire transportoperatie worden van de Nederlandse strijdkrachten in haar hele bestaan. Over de gehele wereld was er bewondering voor de Hollanders, vooral omdat ze in zo'n kort tijdsbestek in staat waren een compleet leger naar de andere kant van de wereld brengen.

.

Voor velen is dit de eerste ervaring op zo'n groot schip

Overal ter wereld werden schepen gecharterd, een aantal emigrantenschepen, maar ook vrachtschepen die tijdens WO2 tot troepentransportschip werden omgebouwd. Zo is bijvoorbeeld de "Groote Beer" een voormalig hospitaalschip waarmee de14e cie. AAT in '49 terug naar huis zal keren. Sommige schepen vertonen nog steeds oorlogsschade van granaatinslagen of varen nog in de grijze oorlogskleuren. In totaal zullen er 120.000 Nederlandse militairen over een afstand van 17.000 km. naar Ned. Indië vervoerd worden. Je zou bijna van een beurtdienst op Ned. Indië kunnen spreken! Halverwege 1947 vertrekt er nog steeds minimaal één troepentransportschip per week uit de havens van Amsterdams en Rotterdams.

Uit de Opmaat

Woensdag 9 oktober '46: Om 12.00 uur vaart de 'Johan' de Golf van Biskaje binnen en zoals daar zo vaak het geval is staat er ook nu een stevige wind. Vandaar dat de patrijspoorten dicht moeten, want de golven slaan inmiddels over het dek.

Vrijdag 11 oktober '46: Als ze Lissabon passeren is er door de mist helaas niet zo veel van te zien. Rond middernacht zullen ze Gibraltar passeren, zodat de jongens van de 14e cie. AAT vanavond aan dek mogen blijven. Het is inmiddels prachtig weer en vannacht is het volle maan. Om 23.00 uur varen ze door de Straat van Gibraltar en inderdaad precies om 00.00 uur zien ze aan bakboord de enorme rots van Gibraltar verschijnen en de vele lichtjes van de stad. Aan stuurboord is de kust van Afrika ook nog goed te zien.

(Afstand Southampton - Gibraltar: 2117 km. Totaal in 7 dagen gevaren: 2613 mijl)

Zaterdag 12 oktober '46: Het schip vaart nu op de Middellandse zee en om 19.00 uur zullen ze de stad Algiers passeren.

Zondag 13 oktober '46: Omdat het vandaag zondag is worden de militairen van de 14e cie. getrakteerd op ontbijt met een eitje. Het weer is prima en in de loop van de dag passeert de 'Johan' een groot vliegdekschip. Vanavond kunnen de opvarenden genieten van een spannende film.

Donderdag 17 oktober '46: Om 08.00 uur nadert de 'Johan' het Egyptische Port Saïd, een havenstad die de ingang tot het Suezkanaal vormt. In Port Saïd is een stop van twee dagen gepland omdat ze daar moeten bunkeren. Ook wordt hier de post uit Nederland aan boord gebracht en gaan de geschreven brieven van de militairen gelijk mee terug.

Port Saïd - Suezkanaal - Egypte

Zoals bij alle tussenstops het geval is komen na het voor anker gaan van de 'Johan' tientallen bootjes met kooplui langszij. Hun koopwaar bestaat vooral uit sigaretten, lederwaren en souvenirs. Het is voor deze lieden verboden om aan boord te komen, dus moeten de gekochte zaken met manden omhooggehaald worden. De Hollandse jongens blijken goede klanten te zijn van de Egyptenaren. De militairen mogen hier helaas niet van boord en de 'Johan' vertrekt vannacht weer.

 

In de haven krioelt het van de handelaren rond het schip

Vrijdag 18 oktober '46: Vannacht om 01.30 uur beginnen ze aan de reis door het Suezkanaal, een traject van 163 km. In dit relatief smalle kanaal kan de 'Johan' niet zo veel snelheid maken, bovendien moet het halverwege wachten zodat de "Sibajak" die uit tegenovergestelde richting komt kan passeren. Dit schip is op de terugweg naar Nederland vanuit Indië. Het uitzicht bestaat aan weerskanten vooral uit woestijn. Op sommige plekken zien ze Arabieren die hun achterste laten zien en ondertussen nadrukkelijk wijzen in de richting vanwaar de 'Johan' vandaan komt. Het is een komisch gezicht, maar hun boodschap blijkt duidelijk te zijn. Volgens de Arabieren hebben de Nederlandse troepen in Indië niets te zoeken en dat laten ze op deze manier dan ook minachtend blijken.

Barakken van een Engelse nederzetting lang het Suezkanaal

As ze bij de Bittermeren aankomen is er op het Kleine Bittermeer weer een tegenligger die wilt passeren. Daarna komen ze op het Grote Bittermeer aan en als het schip hier vlak bij een militair vliegveld stil komt te liggen springt bijna de hele compagnie in het water. Iedereen wordt er echter alweer snel uitgebruld, want hier kunnen haaien zwemmen. Als ze weer verder varen en het donker begint te worden naderen ze de stad Suez.  Omdat de temperatuur inmiddels merkbaar hoger wordt mogen ze vanaf nu ook op het dek slapen.

Zaterdag 19 oktober '46: Wanneer iedereen vanochtend wakker wordt vaart de 'Johan' al in de Rode Zee. Ook vandaag is het weer prachtig en schijnt de zon volop. Ze naderen nu langzamerhand de Kreeftskeerkring en dat is aan de temperatuur goed te merken, zodat hier het tropenuniformen wordt uitgereikt. Dit zijn pakken van dunne gladde stof met korte broek, ze worden wel Dungripakken genoemd.

Maandag 21 oktober '46: In het begin van de nacht passeert de 'Johan' om 01.00 uur de Kreeftskeerkring.

Dinsdag 22 oktober '46: Het schip passeert om 03.00 uur de stad Aden en vaart dan in de Golf van Aden. Zo nu en dan zien ze dolfijnen rond het schip zwemmen.

(Afstand Port Saïd - Aden: 2408 km. Totaal in 18 dagen: 9272 zeemijl)

Woensdag 23 oktober '46: Om 11.30 uur is voorlopig het laatste stukje land met Kaap Quardafui te zien en varen ze vanaf nu dus op de Indische Oceaan. De jongens hebben inmiddels al veel onderweg gezien, dingen die ze tot nu alleen van de schoolboekjes kennen. Ze zijn nog maar net over de helft van de reis en moeten het saaiste gedeelte over de Indische Oceaan nog doen. De komende twaalf dagen zullen ze niets anders zien dan zee en lucht.

Zaterdag 26 oktober '46: Vandaag wordt er een sportdag georganiseerd, en vermaken ze zich met o.a. zaklopen, boksen, worstelen en touwklimmen.

Dinsdag 29 oktober '46: De kapitein van het schip krijgt vandaag een telegram dat de 'Johan' pas op maandag 4 november de haven van Tandjong Priok kan binnenlopen, dus mindert het schip vaart.

Woensdag 30 oktober '46: Het wordt een bijzondere dag. De Evenaar wordt gepasseerd en naar een oud zeeliedengebruik vindt hier dan het Neptunus-ritueel plaats. Iedereen die dit punt voor het eerst van zijn leven overschrijdt moet worden gedoopt door de Neptunus. Zo'n ritueel kan worden gezien als een soort ontgroening, aan boord is met behulp van zeildoek een bad geconstrueerd, waar de doopplechtigheid in plaats zal vinden. De hoofdpersoon is als Neptunus verkleed. De dopelingen worden eerst ingesmeerd met meel en soms zelfs met zure pap, daarna worden ze met zeewater afgespoeld. Het is één groot waterfestijn, waarbij tot grote hilariteit van de jongens de officieren niet worden ontzien. Dit alles werd een welkome onderbreking van een inmiddels zeer saaie zeereis.

Het Neptunusfeest

Aan boord wordt ook veel aandacht besteed aan de hygiëne. Een besmettelijke ziekte kan op zo'n volgepakt troepenschip immers gemakkelijk de kop doen opsteken en dat zou op volle zee kunnen uitlopen op een grote ramp. Toch blijkt dit niet helemaal te voorkomen, want op de "Volendam" is tijdens de reis van aug. 1947 een tyfusepidemie uitgebroken, wat tot twee doden zou leiden. Er wordt dus scherp gelet op het regelmatig wassen en het schoonhouden van kleding.

Wat het wassen van kleding betreft zijn er ook komische dingen voorgevallen. Zo gebeurde het regelmatig dat jongens slim dachten te zijn, door hun bundel met kleren aan een stuk touw achter het schip te laten meeslepen. Als ze dan na enige tijd het touw weer ophaalden bleek die kleren tot hun grote verbazing verdwenen. Opgevreten door haaien?

Zaterdag 2 november '46: Eindelijk is er weer land in zicht, al is het dan niet meer dan een smal streepje van het eiland Engawo.

Zondag 3 november '46: Vanochtend om 05.45 uur is er weer land in zicht, nu is dat het uiterste puntje van Sumatra. Vanaf nu is er constant land te zien, links een aantal eilanden en rechts dus Sumatra. De 'Johan' vaart via de Straat van Malakka richting de Javazee en na een lange reis van vier week met een afstand van 17.000 km is het einddoel eindelijk bereikt. Om 16.30 uur gaat de 'Johan' eerst voor anker, omdat er in de haven van Tandjong Priok nog geen plaats is. Ze zullen helaas tot morgen moeten wachten voordat het schip kan aanleggen.

 (Tandjong Priok op West Java ligt zo’n 20 km van de hoofdstad Batavia)

Maandag 4 november '46: Vanochtend om 05.00 uur wordt er reveille geblazen en om 06.00 uur vaart het schip richting de kade. Reden van het wachten is de "'Kota Agoeng" die nog moest vertrekken. Hierna meert de 'Johan' af aan de kade. De mannen werden al opgewacht door koelies, die met veel gejuich en al vechtend alle sigaretten en brood in ontvangst nemen, dat vanaf het schip tussen hen in werd geworpen. Om 08.30 uur begint de ontscheping en hebben de jongens van de 14e cie. eindelijk weer eens vaste grond onder de voeten. Op de kade worden ze ontvangen met een biertje en sigaretten, die ze door mensen van de Nederlandse hulpstichting Welfare krijgen uitgedeeld.

 

Op de kade van Tandjong Priok

Hierna wordt de 14e cie. AAT overgebracht naar het Paleis van Justitie in een benedenstad van Batavia. Zo'n benedenstad kenmerkt zich door de verschillende koloniale regeringsgebouwen. Het is een wijk met huizen die gebouwd zijn in Nederlandse stijl. De Hollanders hebben er zelfs een grachtenstelsel aangelegd. Het verblijf hier zal vier weken duren en dit is bedoeld om te wennen aan het tropische klimaat. Ze maken hier ook voor het eerst kennis met baboes (wasvrouwen) en djongossen (mannelijke hulpjes), die voor hun de verblijven schoon zullen houden.

Vrijdag 8 november '46: De compagnie wordt hier voorzien van stenguns, Engelse automatische geweren die veel gebruikt werden in WO2 en vrij eenvoudig van uitvoering zijn. Mede door de eenvoud van deze wapens zijn hiermee regelmatig ongelukken gebeurd. Bij de geringste beweging kunnen ze al afgaan.

De maand november staat voornamelijk in het teken van wachtdiensten vervullen en colonne rijden. Tijdens dat wachtlopen werden er verschillende keren inlanders betrapt op het stelen uit de voorraadloodsen. Samen met de 4e cie. AAT worden er een aantal keren transporten gereden vanuit de haven naar Batavia. Dit zijn hoofdzakelijk voedseltransporten, maar er zaten een keer ook 170 vaten jenever bij voor de Welfare.

Met dank aan dhr. T. de Jong.

De thuisreis van het Tweede Mitrailleur-Bataljon met het s.s. "General Stuart Heintzelman"
(Uit het dagboek van Pieter Walraven en het Gedenkboek) 

    

Het s.s. "General Stuart Heintzelman"

Beschrijving van mijn reis met het troepentransportschip "General Stuart Heintzelman" naar Holland. Mijn thuisreis met het "General Stuart Heintzelman" begon op 21 maart '50 vanuit Tandjong Priok en eindigde ruim drie weken later op 13 april '50 in Amsterdam. Dit verslag kan ik doen, omdat ik na 60 jaar nog steeds beschik over mijn dagboek, foto's en dokumenten en het gedenkboek dat ons bataljon over de periode 1947 tot 1950 uitgaf.

Voorwoord

Op 27 december 1949 werd de soevereiniteit over Nederlandsch-Indië officieel overgedragen aan de Verenigde Staten van Indonesië. Hiermee was een eind gekomen aan de rol van het Nederlandse leger in Ned. Indië en kon men aan de repatriëring van ongeveer 100.000 militairen naar Nederland beginnen. De Nederlandse regering zou zijn militairen zo snel mogelijk naar huis willen transporteren, maar werd hierdoor genoodzaakt om extra schepen te charteren. De "General Stuart Heintzelman" was daar één van. De Amerikanen hadden een groot aantal troepentransportschepen nodeloos aan de kade liggen, waaronder een aantal zogenoemde 'General schepen'. Twaalf van deze schepen zouden voor de Nederlandse regering vijftien reizen naar Holland gaan verzorgen en de "General Stuart Heintzelman" was hier de eerste van.

Douaneverklaring voor ruimbagage a/b s.s. "General Stuart Heintzelman

Generaal Stuart Heintzelman (1876-1935) kwam uit bekende militaire familie. Zijn grootvader was ook generaal en die had tijdens de Amerikaanse burgeroorlog gevochten. Het schip met deze naam kwam in augustus '45 in de vaart, maar had slechts één reis met displaced persons gemaakt, die vanuit Bremerhaven naar huis keerden, maar verder had het al die tijd aan de kade gelegen. Tijdens haar reis naar Holland voer het onder commando van de U.S. Marinemensen, maar verder bestond de bemanning uit zeelieden die blij waren dat ze weer eens konden varen.

Soerabaja

Dinsdag 7 februari '50: Ons bataljon, gepokt en gemazeld door intensieve deelname aan de militaire acties van september 1947 tot december 1949 op zowel West- als Oost-Java, zou spoedig aan de beurt zijn om naar huis te keren. Voor het Tweede Mitrailleur-Bataljon begon de terugreis naar Holland met een korte zeereis van Soerabaja naar Tandjong Priok met het s.s. "Van Outhoorn". Vanochtend om 07.00 uur waren we al aan de kade van Tandjang Perak en om 12.00 uur scheepten we in. We werden uitgeleide gedaan door een drumband en om 14.00 uur vertrokken wij. Voor de laatste acht man die aan boord kwamen, waaronder ik, was geen plaats meer op het voorschip, dus kwamen we bij de onderofficieren op het achterschip en gezien de ligging viel dat erg mee. We vervelen ons wel en het weer is niet al te best.

Woensdag 8 februari '50: We zitten de gehele dag op zee. Omdat het brood aan boord erg goed is wordt er nu meer gegeten dan op het vaste land. 

Tjimahi

Donderdag 9 februari '50: Om 10.00 uur komen we aan in Tandjong Priok. Majoor Bakker was er o.a. Om 13.00 uur gingen we met trucks van de AAT naar het station en om 15.00 uur vertrok de trein. Eerst om 21.00 uur kwamen we in Tjimahi aan. De route ging over Purwakarta. Onderweg genoten we van het prachtig natuurschoon, dat op West-Java veel mooier is dan op Oost-Java. De laatste 50 kilometer ging door de bergen, we zijn wel door 25 ravijnen gegaan, waarbij sommigen met een diepte van wel 30 meter. Het was prachtig, vooral toen het donker werd en de vonkenregen van de locomotief langzaam in de diepte verdween als we door een ravijn reden. We kwamen het station binnen rollen en wat kregen we meteen te horen ... Pittige marsmuziek. Zo'n ontvangst hadden we nooit verwacht. Vervolgens gingen we naar het kamp in Tjimahi en wat zagen we daar. Echte bedden met matrassen en ook nog eens kastjes erbij. Wat een weelde, wat een weelde. Dat hadden we zeker niet verwacht. Het was nog beter dan in Harderwijk. We mandiën ons, het water is behoorlijk koud, maar daar knapten we van op en na het eten wat ook al klaar stond, waren we vermoeid maar hadden we wel een heerlijk gevoel. Niets dan lof voor deze ontvangst. In dit kazernecomplex vlak bij Bandoeng wachtten we het definitieve vertrek naar Nederland af.

Vanaf dat moment gaat het geruchtencircuit goed van start. Er wordt ons eerst medegedeeld, dat we op 27 maart met de "Nelly" (een Noors schip, maar volgens anderen een Griekse) de reis naar huis zullen beginnen. Juist als bijna iedereen zijn familie in Holland heeft geschreven, dat we op 27 maart zullen vertrekken, wordt dat veranderd in 4 April. Ook deze datum houdt niet lang stand, want nu wordt weer gezegd, dat we op 14 maart zullen vertrekken met een Amerikaans schip de "General Stuart Heintzelman". We moesten onze geliefden in Holland dus weer een ander scheepsadres doorsturen. Inmiddels beginnen we aan het opmaken van onze laatste centjes. Op het moment dat we hierin tot onze volle tevredenheid zijn geslaagd, komt er een telegram dat het vertrek pas op de 17e zal zijn. De stemming daalt nu dus echt tot ver beneden nul. Ondertussen zijn we door de dokter nog eens goed bekeken en beknepen, voor de zoveelste maal ingeënt met een stofje tegen de pokken, doorgelicht en daarna waardig bevonden om huiswaarts te keren.  

Fragment uit mijn dagboek van 17 maart '50

Vrijdag 17 maart '50: We zitten we nog steeds in Tjimahi op onze boot te wachten. Dat ding heeft enige vertraging en loopt tenslotte op de 19e pas binnen. Toen er geen nieuw bericht van uitstel kwam, begonnen we opnieuw, zij het nu met enig wantrouwen, onze laatste centen uit te geven, terwijl de foeriers en de verplegingsofficier vol ijver begonnen waren met het tellen van tafels, stoelen, bedden en het opmaken van de nodige staten. Ons Hollands uniform hebben we intussen ook al gekregen, zodat we klaar zullen zijn voor ons vertrek.

De uiteindelijke thuisreis

De mannen, die tijdens de thuisreis aan boord corveediensten zullen verrichten, vertrekken de 19e naar het tegenwoordige Jakarta en gaan diezelfde dag aan boord. Vanuit Tjimahi gaat de reis weer over een bergpas, met dit verschil, dat we nu veelal dalen. Na een reis vol ergernissen komen we in de middag bij het station van Tandjong Priok aan, waar de trucks van de AAT alweer klaar staan om ons naar de boot te vervoeren.  

Maandag 20 maart '50: Alles gaat nu ineens vlot, we kunnen vrijwel direct aan boord gaan. Even kunnen we nog voelen, hoe zwaar onze koffers en plunjezakken zijn, terwijl we al zwetend en steunend en over onze eigen benen struikelend, langs een zevental tafeltjes moeten strompelen. Zesmaal vraagt men ons of we inderdaad wel Zus en Zo zijn. De man achter het zevende tafeltje vraagt niets, maar duwt ons een kaartje in de mond omdat wij onze handen vol hebben. We strompelen verder en op het moment dat we denken eindelijk eens voor de kantinewagen te staan, staan we al bij de loopplank van het schip. We richten onze gebogen hoofden, voor zover onze drukkende plunjezak dat toelaat, wat op en zien een tamelijk steil oplopende plank, waar jongens voor ons al vloekend en zuchtend tegenop kruipen. Iedereen volg het goede voorbeeld op van zijn voorganger en weldra zijn we allemaal boven. Daar staat een kerel, die een vluchtige blik op het kaartje in je mond werpt en snauwt: Rechtsaf! Zone zes 'E'-dek en doorlopen alsjeblieft! 

Maaltijdenkaart met vermelding van slaapplek op Dek E-1

Het historische moment, waarop je met één voet nog op Indische bodem en met de andere op de loopplank staat, zullen de meesten zich wel niet meer herinneren. Noch het afscheid van Java, noch het feit dat we hier aan het begin van onze laatste etappe staan, zal enig gevoel van weemoed of verlangen in ons opwekken. De meeste belangstelling nu trekt waarschijnlijk onze Legercommandant, Generaal Buurman van Vreeden en een hoge vertegenwoordiger van het koninkrijk Dr. Hirschfeld, die in gezelschap van enkele andere hoge officieren een kijkje komen nemen aan boord. Helaas kunnen ook zij ons niet uit onze stemming van lauwe onverschilligheid halen. De enkele woorden die de legercommandant via de scheepsomroep tot ons spreekt, worden zonder enige belangstelling aangehoord. Het vaststellen dat we onze vaderlandse plicht hebben gedaan en de opwekking om het verloop der gebeurtenissen in Indonesië te zien op een hoger plan, zodat de gebrachte offers niet tevergeefs waren, hebben we inmiddels al te vaak gehoord. We zijn niet weemoedig en we zijn ook niet blij gestemd, maar we zijn wel indolent als om 18.00 uur de trossen worden losgegooid en we onder de tonen van het Wilhelmus de haven uitglijden.

Op de kade van Tandjong Priok speelt de muziekkapel het Wilhelmus

Dinsdag 21 maart '50: Tegen het vallen van de avond gaan we in Straat Soenda alweer voor anker om de volgende dag de reis weer voort te zetten. Tegen de middag zien we dan het laatste stukje van de veel geroemde en veel vervloekte Gordel van Smaragd aan de horizon verdwijnen.  Het blijkt dat ik in mijn dagboek zorgvuldig ieder dag de afgelegde zeemijlen heb genoteerd.    

Colombo (Ceylon)

Zaterdag 25 maart '50: In de ochtenduren komt Ceylon in zicht komt en na de middag lopen we de haven van Colombo binnen. Hier zal brandstof worden ingenomen en mag een deel van ons vanavond van boord om in de stad te gaan passagieren. Dat was voor velen van hen een grote luxe.   

Fragment uit mijn dagboek van 25 maart '50

Zondag 26 maart '50: De volgende morgen kliefde onze 'General' alweer vroeg de golven der Indische Oceaan. In reisverhalen leest men vaak romantische stukjes over dit soort tropenzeeën. De schrijver raakt dan veelal in extase door de exotische pracht van een eiland vol grillige bergtoppen, de stranden, bezaaid met wuivende palmen. Of hij beschrijft hoe het op zonnige dagen kan gebeuren, dat er zo zomaar grote vliegende vissen op dek terecht komen. Hoewel wij ervan bewust zijn dat er meer en waarschijnlijk betere tropenzeeën zijn dan deze vervloekte Indische Oceaan. In ieder geval is voor ons hier niet veel te zien om van in vervoering te geraken. Zo nu en dan worden er wel een paar vliegende visjes van maximum tien centimeter waargenomen. Meerdere malen zien we ook enkele nieuwsgierige dolfijnen, die boven water uitspringend het schip observeren of een eindje mee zwemmen, maar dat is dan ook alles. Het is hier niet zomaar heet. Nee, het is hier gloeiend heet! Het zweet drijft de gehele dag in straaltjes van je lichaam.

Op de Indische Oceaan passeert een Nederlands vrachtschip

Dinsdag 28 Maart ’50: Gisteren in de cafetaria gewerkt, dat is tot op heden best wel aardig werk en de dag vliegt zo om. Verschillende baantjes zijn er te verdelen en aan ontspanning wordt nu meer gewerkt, zoals af en toe grammofoon­muziek. Al met al is het hier heel wat beter dan op de heenreis met de "Volendam".

Fragment uit de scheepskrant 'Het Laatste Lootje' 

Donderdag 30 maart '50: Het is een hele opluchting, als we in de ochtend van 30 maart met Kaap Quardafui de uiterste Oostpunt van Afrika uit zee zien oprijzen. We varen nu de Golf van Aden in. De temperatuur zakt langzaam tot het dragelijke en als we voorbij Perim in de Rode Zee komen, worden de avonden ook al snel kouder. De nabije woestijn laat hier blijkbaar zijn invloed gelden.

  

De kust bij Aden met de alom bekende klokkentoren

Het Suezkanaal

Maandag 3 april '50: Met de "Groote Beer" in onze kielzog komen we op de rede van Suez aan en hier laten we het anker vallen. Hoewel we hier al om 09.00 uur aankwamen, moeten we tot vanavond wachten, voordat we het Suezkanaal mogen binnenvaren.

  

Bij de zuidelijke toegang naar het Suezkanaal moeten we wachten totdat we in konvooi het kanaal op mogen varen

Het is hier bitter koud op de rede en er staat bovendien een onaangename deining. Ten gevolge van zandstormen schijnt de scheepvaart door het kanaal gestremd te zijn, zodat we ook deze nacht op de rede zullen doorbrengen. De volgende morgen gaan we echter als een der eersten het nauwe vaarwater van het kanaal op. 

  

De 'Jeruzalem-expres' raast voorbij en een pontje waarop een treinrails is gevestigd

Veel bijzonderheden levert de tocht naar Port Saïd niet echt op. Wel verbazen we ons over dit stuk mensenwerk en zijn we vol belangstelling voor alles, wat er op de oever te zien is. Zo zien we een trein voorbij komen en even later passeren we een spoorbrug. Heel apart is ook een ponton in het kanaal, die het oversteken van treinen mogelijk maakt. Laat in de avond als we vlak voor Port Saïd zijn, passeren we een aantal schepen die langs de oever stil liggen, zodat wij kunnen passeren.  

  

Een Engelse nederzetting en een radiopost langs het Suezkanaal

Enkele watertorens langs het Suezkanaal die niet ver van Port Saïd vandaan staan

Tegen het middernachtelijk uur wordt Port Saïd bereikt

 

Het standbeeld van Ferdinand de Lesseps staat aan de rand van Port Saïd

Dinsdag 4 en woensdag 5 april '50: Om 23.00 uur wordt Port Saïd bereikt en ondanks het late uur ontplooit zich nog een levendige handel in lederwaren en kleedjes. We maakten hier een maansverduistering mee, zoals uit mijn dagboek blijkt.

Zicht op de kade van Port Saïd

Degenen onder ons die onder de wol zijn geschoten, met het voornemen om de volgende ochtend de nodige inkopen te doen, kijken 's ochtends raar op als zij ontdekken, dat ons schip inmiddels de Middellandse Zee doorklieft. Al om 03.00 uur was het schip uit Port Saïd vertrokken en toen lag iedereen natuurlijk nog in dromenland. Wel waren er post en rookartikelen aan boord gekomen en dat vergoede alles. 

Zondag 9 april '50: Na een dag met ruw weer en enkele koude dagen, komt vanavond de Rots der Eeuwen weer in zicht. Weldra zullen we ons in de Straat van Gibraltar bevinden en dan ligt bijna de Atlantische Oceaan alweer voor ons. De reis begint dus gelukkig op te schieten. Op de foto hieronder is het waterbazuin goed te zien waarmee regenwater wordt opgevangen om als drinkwater te gebruiken.

De enorme Rots van Gibraltar met haar typische waterbazuin

Na de Straat van Gibraltar wordt de reis over de Atlantische Oceaan in noordelijke richting voorgezet. Enkele uren later wordt de deining van de zee alweer goed merkbaar. Ook nu blijken de laatste loodjes het zwaarst te wegen. Het wordt steeds kouder en de Golf van Biskaje laat, hoewel daar geen storm staat, onze 'General' toch rare sprongen maken. Ook nu weer blijken meerdere magen hiertegen niet bestand, zodat veel kostbare Amerikaanse calorieën verloren gaan. Als we deze beruchte Golf eenmaal gepasseerd zijn, wordt het leven aan boord weer iets dragelijker, ondanks dat een koude Europese wind ons blijft plagen. De wetenschap dat we enkele vreemde werelddelen achter ons hebben gelaten, stemt ons echter optimistisch.

Afscheid van onze Bataljons Commandant

Nu wij het Vaderland naderen neemt onze Bataljons Commandant Luitenant Kolonel J. Hofs officieel afscheid van zijn mannen, waartoe hij het volgende bulletin uitgeeft. De Rots der Eeuwen. Aan alle mannen van het Tweede Mitrailleur-Bataljon: De dagen van ons Bataljon zijn geteld. Nog slechts een kleine week en dan zijn wij terug in Holland. Hierdoor is de opdracht die wij meekregen, om het brengen van orde en rust en veiligheid in Ned. Indië komen te vervallen. Niet lang meer zal ik het bevel voeren. Dat is dan geweest. Doch niettegenstaande dat, geef ik iedereen een uitdrukkelijke opdracht mee bij het verlaten van het – neen, beter is ons – onderdeel.  Zie tot iedere prijs een betrekking, functie of baan te krijgen en bouw van hieruit uw verdere toekomst op. Daarin moet U slagen! Zeker, ik weet wel dat dit moeilijk zal zijn. Doch om dit te boven te komen, roep ik voor U op, de geest van ons Bataljon: Aanpakken en niet afwachten! Dan komen de compagniesemblemen aan de beurt en vervolgens: Wees actief en laat niets aan het stomme domme toeval over. Handel bewust, maar sla dan ook voor de volle 100 % toe. Moge er ondanks dat toch moeilijkheden optreden, denk dan aan ons trotse gezegde: Een klein beetje Mit-Bat! Dat zal U steunen om met dezelfde kracht en ambitie voort te gaan. Hiermede wil ik eindigen en ik wens mijn jongens een prettig en verdiend verlof, doch vooral succes in zaken toe.  

We naderen het laatste deel van de reis

Woensdag 12 april '50: Voor het vallen van de avond passeren we het Britse eiland Wight en nadat de zon is ondergegaan, varen we langs de Britse kust op weg naar Dover. Daar zal de post voor de bemanning aan boord komen. Het is dan al laat en inmiddels erg koud geworden. De volgende morgen varen we langs de Hollandse kust. Na bijna drie jaar zien we het Vaderland weer voor ons, al is het dan nog maar een smalle wazige streep van de duinen. Van enige emotie valt dan nog niet veel te bespeuren. De traditionele brok in de keel ontbreekt ook ditmaal. Al gauw komen een jager en een bommenwerper ons begroeten. 

Vlak bij IJmuiden komt een loodsboot ons tegemoet varen

Donderdag 13 april '50: Langzaam maar zeker naderen we IJmuiden en gespannen turen talrijke ogen in die richting. Er worden eerst nog moppen getapt, maar de spanning om de te verwachten familieleden aan de kade stijgt nu ook. Als de boot vlak voor IJmuiden geheel stil komt te liggen, wordt er nog eens flink uitgefoeterd. Niet alleen omdat we nu toch wel eens een einde aan deze reis willen maken, maar ook omdat het zo 'bar dingin' is. Ja, het is dus erg koud. De fletse zon die helemaal geen kracht schijnt te hebben, is niet in staat om ons te verwarmen. Na een uur wordt de reis weer voortgezet en komen de pieren nader en nader. Er hangt nu een gespannen sfeer aan boord en de stilte wordt voor het eerst verbroken, als we op de pieren een massa wachtende en wuivende vrienden en familieleden ontdekken.  

Onze 'General' ligt aan de kade in de sluizen van IJmuiden en daar zijn heel wat familieleden op af gekomen

Hoewel we op deze afstand onmogelijk iemand kunnen herkennen, zwaaien en schreeuwen we even hard terug. Langzaam varen we het Noordzeekanaal op. Overal staan opgewonden groepjes mensen langs het kanaal ons toe te wuiven. Bij de sluizen van IJmuiden is het aan de kade een drukte van jewelste, sommigen dragen borden met daarop de naam van een terugkerend militair, om hiermede de aandacht te trekken. We zijn door dit alles toch wel ontroerd geraakt.

Aankomst Amsterdam

Een bootje met wuivende familieleden begeleid ons schip over het IJ

Er heerst nu ook aan boord een stemming van blijdschap en verwachting. Ondanks de grote afstand worden er namen geroepen, welke we helaas niet kunnen verstaan. We roepen maar iets terug. Het laatste stukje naar onze eindbestemming in de Amsterdamse haven kan wat ons betreft meteen beginnen. Eenmaal uit de sluizen zal het niet lang meer duren dat het schip aan een van de kades van het SMN-complex aanmeert. De reis zit er dan eindelijk op en iedereen wacht geduldig op zijn beurt om het schip te mogen verlaten. Het werd een drukke dag, een dag van veel bloemen, vlaggen en blijde mensen. 

En dan mogen we eindelijk debarkeren op de Javakade

Fragment uit mijn dagboek van 13 april '50: THUIS! We zijn eindelijk weer thuis!

  Met dank aan Pieter Walraven, dienstplichtig soldaat bij het Tweede Mitrailleur Bataljon.

Uitreis met het s.s. "Zuiderkruis" en thuisreis met het ss "Waterman" 

(Staf Compagnie- Verbindingspeloton 5-8 RI)

De kaart met het s.s. "Zuiderkruis" die vanuit Port Saïd naar huis werd gestuurd

Als dienstplichtig soldaat werd mijnheer van Dam opgeroepen om op 2 juli 1947 in Amersfoort te verschijnen voor zijn opleiding. Hij werd ingedeeld bij de stafcompagnie-verbindingspeloton, bij het 5e bataljon van het 8e regiment Infanterie, kortweg 5-8 RI. Na het voltooien van zijn training daar, ging hij van zaterdag 7 februari tot en met maandag 16 februari met zogenaamd inschepingsverlof. Daarna brak eindelijk de dag aan, waar we allen al lang naar uitzagen!

Parade in Amersfoort vlak voor vertrek

 De dag van vertrek (Amersfoort) 

Vrijdag 27 februari '48: Om half vijf was het reveille, om tien voor zeven appèl en om half acht afmars. We hoefden onze loodzware plunjezakken gelukkig niet zelf te dragen, die werden op legerwagens naar het station gebracht. Om tien voor negen zette de trein zich in beweging en al gauw verdween Amersfoort, waar we bijna acht maanden hadden vertoefd, uit het zicht.

Afgeladen met militairen rijdt de trein naar Rotterdam

Om elf uur kwamen we in Rotterdam aan, daar kregen we koffie met koek van de Cadi. Om twaalf uur precies werden we ingescheept, hierbij werd aan iedereen twintig Engelse sigaretten uitgedeeld. In Amersfoort op het station hadden we ook al elk tien Engelse sigaretten en een reep chocolade ontvangen.

Op de loopplank werden we nog gefotografeerd door de NIWIN. Toen we aan boord kwamen, moesten we eerst naar de slaapruimte in het ruim, waar we op bed moesten gaan liggen. Het was daar lekker warm. We sliepen met z'n vijven boven elkaar. De ruimte tussen de bedden was erg klein, overeind in bed zitten was er niet bij. Na de middag gingen we op verkenning om wat nader kennis te maken met het kleine wereldje, waarin en waarop we enkele weken moesten vertoeven. Er voeren telkens bootjes met burgers langs het schip om nog een laatste groet te brengen.

 

Het embarkeren in de Merwehaven is inmiddels in volle gang

Om ongeveer zes uur gingen de trossen los en langzaam verwijderde ons schip de "Zuiderkruis" zich van de kade, uitbundig nagewuifd door een joelende mensenmenigte. We werden nog een heel eind vergezeld door kleine bootjes met familieleden en andere belangstellenden. Ook vanaf de wal werden we door de mensen toegewuifd. Maar daar kwam Hoek van Holland al in zicht en korte tijd later voeren we op de Noordzee. Terwijl de machines op volle kracht begonnen te draaien, zagen we de lichten van Hoek van Holland achter ons geleidelijk uit het zicht verdwijnen. Even later ging de loods, die ons veilig buitengaats had gebracht, van boord.

De grote reis is begonnen

En dit was tevens het begin van een vakantie, die meer dan twee jaar zou duren. 's Avonds gingen we op de Noordzee slapen en de volgende morgen werden we in Het Kanaal weer wakker. Later vernamen we aan stuurboord in de verte iets wits, toen we het door een verrekijker bekeken zagen we dat het de krijtrotsen van Engeland waren. 's Middags zagen we aan bakboord de kust van Frankrijk, waar we tamelijk dicht langs voeren. Om tien uur 's avonds voeren we de Golf van Biskaje binnen, die zijn naam geen eer aan deed, want de zee was er rustig. Die avond werd voor de tweede keer de klok een uur terug gezet, zodat we toen twee uur op de Nederlandse tijd achter liepen. Dit zou tijdens de reis nog vaker moeten gebeuren om het tijdverschil met Indië te overbruggen.

Zicht vanaf het voordek op de brug van het s.s. "Zuiderkruis"

Zondag 29 februari '48: Overdag hebben we niet veel gezien, onze compagnie moest namelijk piepers jassen. 's Avonds om ongeveer half acht naderden we de kust van Spanje. Eigenlijk zagen we alleen een vuurtoren, want het was natuurlijk donker. Ook passeerde ons toen een ander schip, waarmee de "Zuiderkruis" nog even ging lampseinen. Wij verbindingsmensen probeerden natuurlijk meteen te ontcijferen, wat er geseind werd en dat gelukte ook vrij goed. De volgende morgen passeerden we de kust van Portugal, daar zagen we ook grote rotsen, die uit zee oprezen. Er voeren daar kleine zeilbootjes op zee, vissersbootjes. Om een uur of twaalf naderden we Lissabon. 's Avonds kwam er wat meer wind, zodat de boot lekker begon te schommelen. 

Dinsdag 31 februari '48: We konden de hoge rotsen en bergen van Gibraltar en Afrika zien. Later op de dag zagen we in de nevelige verte de Sierra Nevada, die 3400 meter hoog is. Erg duidelijk was het niet. Die Dinsdag was er nogal wat deining, zodat er veel zeezieken waren. Vanmorgen, voor het ontbijt, had ik ook wat last van duizeligheid, maar dat werd beter, nadat ik gegeten had. Op zo'n moment heb je eigenlijk niet veel trek, maar toch is het dan beter jezelf te dwingen iets te eten. Dat is een goede remedie tegen zeeziekte. De zee toonde zich die dag in al haar schoonheid. De golven hadden mooie witte schuimkoppen. Het was net of het gesneeuwd had en er nog verscheidene resten sneeuw verspreid lagen.

De volgende dag keken we onze ogen uit op de prachtig gevormde bergen van Afrika. Het was nog steeds erg winderig, zodat de blauwgroen gekleurde golven met grote schuimkoppen naar ons toe kwamen rollen, terwijl nu en dan een vis er even bovenuit zweefde. Een fascinerend gezicht! De volgende dag was de zee bijzonder kalm. Zacht deinend bewoog ze zich om het schip. We konden nog steeds de bergachtige kust van Afrika zien. We voeren ook tamelijk dicht langs een paar eilanden. Een van die eilanden bestond geheel uit rotsen, die grillig en steil uit zee oprezen. 's Avonds om een uur of acht zagen we aan stuurboord in de verte de lichten van het eiland Malta.

Vrijdag 5 maart '48: We zagen niets dan water en lucht, 's avonds begon de wind sterk aan te wakkeren. Het werd zelfs zo erg, dat alle luiken en patrijspoorten aan bakboordzijde moesten worden gesloten om te voorkomen, dat het water naar binnen zou slaan. Toen we in bed lagen rolden we van de ene kant naar de andere. We moesten ons gewoon vasthouden. De volgende dag, zaterdag 6 maart, werd het langzamerhand wat beteren en 's middags hadden we een filmvoorstelling.

 Zondag 7 maart '48: 's Morgens kwamen we in Port Saïd aan. Toen we daar in de haven lagen, was het erg rumoerig rondom de "Zuiderkruis". Arabische handelaars probeerden met veel geschreeuw en voor veel geld hun koopwaar aan de man te brengen. Ze hadden van alles te koop, vooral veel tassen en ander lederwerk. Maar ook veel etenswaren waren verkrijgbaar. Ik heb wat sinaasappels, bananen en apennootjes gekocht. Vooral die bananen en apennootjes waren een traktatie, want die had ik in jaren niet geproefd. 's Middags om vijf uur gingen we weer varen, maar even later lagen we alweer stil. We waren toen in het Suezkanaal en als twee schepen elkaar daar passeren, moet er één stil liggen en die ene waren wij. Het was jammer, dat we in het donker door het Suezkanaal voeren, want daar hadden we wel wat meer van willen zien.

Toen we de volgende morgen opstonden, waren we het Suezkanaal net door. We konden Suez nog net zien liggen. De rest van de dag voeren we door de Golf van Suez. Aan stuurboord zagen we de rotsachtige kust en de bergen van Egypte en aan bakboord zagen we bergen van Arabië. Na de middag zagen we ook de berg Sinaï, bekend uit de bijbel. Het werd nu ook behoorlijk warmer zodat het zomertenue aan mocht. Tegen de avond kwamen we in de Rode Zee.

De twee dagen hierna was er niet veel te zien. We passeerden wel vier Nederlandse schepen, waaronder een paar troepentransportschepen, die we met veel gejuich over en weer begroetten. Een van die troepentransportschepen was de "Waterman", het zusterschip van de "Zuiderkruis". We wisten toen natuurlijk nog niet, dat diezelfde "Waterman" ons ruim twee jaar later weer naar huis zou brengen. De "Zuiderkruis" en de "Waterman" waren beide zogenaamde Liberty-schepen. Ze waren aanmerkelijk sneller dan de andere troepenschepen. We liepen intussen ook al in tropenkleren. Het was woensdag, 10 maart, die avond begon het al donker te worden en zagen we een klein bergachtig eilandje. We zagen echter alleen het donkere silhouet en het licht van de vuurtoren.

Donderdag 11 maart '48: Er kwam wat meer leven in de brouwerij. Voor de middag zagen we de Arabische kust met daarvoor een aantal kleine rotsachtige eilandjes. Om ongeveer twaalf uur waren we in Aden, en meteen krioelde het weer van de Arabieren en kleine zwarte jongetjes rondom het schip. In tegenstelling tot Port Saïd, waar helemaal geen sigaretten verkrijgbaar waren, werden hier vrijwel uitsluitend sigaretten te koop aangeboden, zoals Gold Flake, Player en het merk Graven "A". Ik heb vijfhonderd stuks Player gekocht voor twintig gulden. Die zwarte jochies rond het schip, zwommen als vissen, als je een zilveren geldstuk in het water wierp dan doken zij het op, zinken munten wilden ze niet.

De stad Aden ligt prachtig tegen en op de bergen en was een schitterend schouwspel, waarvan ik ook enkele foto's heb genomen. Toen we die avond om tien uur gingen slapen, lagen we nog steeds in Aden, maar toen we de volgende morgen opstonden waren we alweer in volle zee. Er was nergens land te zien die dag en heb ik een mooi boek uit de bibliotheek gelezen, getiteld: In stilte getrouwd, het was een prachtige en ontroerende roman. Tot onze vreugde konden we die middag onze Europese kleren inleveren. Er stond een lekker briesje, zodat het niet zo heet was. Als je tenminste aan dek was, beneden was het smoorheet. We kregen op 12 Maart ook voor de eerste keer pilletjes tegen malaria, deze stonden daarna elke dag op het menu. Dat was niet bepaald een lekkernij.

Van het daarop volgende weekend is niet veel te vertellen. Zaterdag hadden we 's avonds film en zondagmorgen ben ik naar de kerk geweest. Maar toen werd het maandag en op die maandag hebben we iets gedaan, wat de meesten van ons nog nooit eerder hadden gedaan. Het was wasdag en iedereen moest zijn eigen kleren wassen! 's Middags passeerden we nog een vrachtboot van de Rotterdamse Lloyd.

Na een rustige, snikhete dinsdag is het woensdag 17 maart. Dit zou een erg interessante dag worden, want we mochten namelijk met een paar man een kijkje op de brug nemen! We zagen daar diverse instrumenten, kompassen, de radarinstallatie, het peiltoestel en ook een hele serie vlaggen. Die vlaggen waren allemaal verschillend en stelden elk een letter of cijfer voor. Meestal worden er drie vlaggen gehesen, die dus drie letters voorstellen. Die drie letters vormen dan weer een code en al die codes zijn terug te vinden in een dik boek. Helemaal boven in de open lucht stond nog een noodstuurinrichting. De volgende dag hebben we nog een inspectie gehad van onze etensblikken en bestek.

Zaterdag 20 maart '48: Na een stille vrijdag werd het zaterdag 20 maart. Dit was de dag dat we voor het eerst voet aan wal zouden zetten in Indië. We arriveerden toen bij het eiland Sabang en na een paar uur mochten we onder geleide aan wal. We kregen limonade en ijs en kochten bananen, apennootjes, kokosnoten en ananas. We wisten toen natuurlijk nog niet, dat die dingen daar heel anders heetten. Om twaalf uur mochten we onze eigen gang gaan. Ik ben met vijf andere jongens op stap geweest. We keken onze ogen uit! We hadden eigenlijk verwacht, dat het er veel warmer zou zijn. Het was net een mooie zomerdag in Nederland. We gingen eerst even naar een Militair Tehuis, waar we limonade hebben gedronken. Toen zijn we weer verder gewandeld, maar op een gegeven moment wisten we niet meer waar we waren. Gelukkig kwam er toen net een legerwagen aan die ons oppikte en ons trakteerde op een rondrit over het eiland. We kwamen over hobbelige bospaadjes en over hoge bergen. Het is een eiland met veel natuurschoon en vriendelijke mensen. Toen we even ergens in het gras zaten, hadden we al gauw een heel stel kinderen om ons heen, die wilden stoeien.  We hebben ons uitstekend geamuseerd!

Zondag 21 maart '48: De volgende morgen waren we alweer in volle zee, de zee was bijzonder kalm. Die dag was het Neptunusfeest, vanwege het feit, dat we de evenaar passeerden. Een aantal jongens werd door Neptunus gedoopt. Maar gelukkig was ik daar niet bij, want ze werden behoorlijk ingesmeerd met allerlei vieze troep. We zijn haast allemaal wel wat nat geworden, maar dat was niet zo erg.  We zagen af en toe ook groepjes bomen zomaar in zee. De volgende dag zagen we af en toe wat kleine eilandjes. Die avond tegen donker gingen we voor de mond van de Moesi voor anker, wachtend op de vloed. Het was toen maandag, 22 maart en we lagen daar dicht bij een lichtschip. Om maar zo weinig mogelijk te missen, ben ik die avond niet naar beneden naar bed gegaan. Ik ben aan dek gaan slapen, met mijn zwemvest als hoofdkussen.

Het Neptunusdiploma van een collega bij 5-8 RI

Om ongeveer half zes in de morgen werd ik wakker en toen ik over de reling keek zag ik, dat we al op de Moesi voeren, aan beide oevers zag ik de rimboe. Het was echter nog te donker om iets te kunnen zien, zodat ik eerst naar beneden ging om me te wassen. Toen ik weer boven kwam, was het intussen licht geworden en wat ik toen te zien kreeg, is niet te beschrijven. De "Zuiderkruis" voer langzaam stroomopwaarts en aan weerszijden gleed het oerwoud aan ons voorbij. Wie dat niet zelf heeft meegemaakt, heeft geen idee van de indruk, die dat op je maakt, de mooiste film is niet in staat je dat zo te laten beleven als de werkelijkheid. Ik heb geloof ik tijdens mijn verblijf in Indië niet één keer weer datzelfde gevoel van betovering en verrukking gehad, als toen op die vroege dinsdagmorgen bij de overweldigende aanblik van de ongerepte schoonheid van dat tropische woud.

Toen we wat verder kwamen, zagen we zo nu en dan langs de oever kleine groepjes inlandse hutjes. In het water lagen enkele kleine prauwen aan primitieve aanlegsteigertjes te dansen op de golfslag van de "Zuiderkruis". Later kwamen we langs het oliecentrum Pladjoe, daarna werden al snel de trossen uitgegooid en kwam de "Zuiderkruis" aan een kade te liggen. De 3e compagnie ging hier van boord, daarna was het nog ongeveer tien minuten varen naar Palembang en gingen ook wij van boord. Gelukkig hoefden we onze plunjezakken niet zelf van boord te dragen en eenmaal aan wal werden we met vrachtauto's afgevoerd naar onze voorlopige plaats van bestemming: Bagoes Koening. Dat ligt ongeveer zeven kilometer van Palembang en drie kilometer van Pladjoe.

Het is ongeveer een half uur lopen van ons kamp naar een Europese wijk, toen we hier aankwamen bekeken we ons nieuwe onderkomen met lichtelijk verbaasde blik. Het ding was aan alle kanten open, hetgeen natuurlijk wel lekker luchtig was, maar nadat we ons geïnstalleerd hadden, viel het allemaal eigenlijk best mee. Het was wel jammer dat het bij onze aankomst donker was, want daardoor konden we niet direct op verkenning gaan. We zijn die avond nog even het dorp in geweest, in een toko heb ik wat pinda's gekocht, in ruil voor sigaretten. Toen we weer terug waren in de barak, zijn we maar direct onder onze klamboe gekropen, want het was een lange en vermoeiende dag geweest. We hadden namelijk erg veel nieuwe indrukken moeten verwerken!

De thuisreis met het s.s. "Waterman"

Het ss "Waterman" is een zusterschip van de "Zuiderkruis"

Woensdag 3 Mei '50: Vanmorgen hadden we een lezing van de Sociale Dienst, vanmiddag hoorde ik dat het ss "Hellenic Prince" is aangekomen.

Vrijdag 5 Mei '50: We hebben pech, want we gaan voorlopig nog niet naar huis, want de "Hellenic Prince" is uitgevallen.

Dinsdag 16 Mei '50: Dit werd een heel bijzondere dag voor ons! Vanmorgen deed het gerucht de ronde, dat we morgen aan boord van de "Hellenic Prince" zouden gaan, maar dat bleek later niet waar te zijn. Daarna werd er gezegd, dat we morgen aan boord van de "Waterman" zouden gaan, maar ook dat klopte niet. Want.... we zijn vanmiddag al aan boord gegaan! Nog niet het hele bataljon, we zijn nog maar met ongeveer vijftig man aan boord. Vanmiddag kwam opeens Luitenant Brouwer er aan met de mededeling, dat er al een aantal van ons al aan boord kon en daar waren wij direct wel voor te vinden. Wat we moeten doen weet ik nog niet, vermoedelijk moeten we bagage sjouwen of corveedienst doen. Vanmiddag om 17.45 vertrokken we uit Tandjung Timur en om 18.45 uur gingen we aan boord.

Woensdag 17 Mei '50: We hebben het vandaag druk gehad. We moesten bijna de hele dag kisten jouwen. Die kisten moesten van vrachtauto's gehaald worden en vervolgens op netten gezet, zodat ze aan boord gehesen konden worden.

Donderdag 18 Mei '50: De rest van de jongens zijn intussen ook aan boord gekomen en vanmiddag was het dan zover. Waar we zo lang naar hadden uitgezien, werd nu werkelijkheid. We gaan varen! Op de kade had zich een grote menigte verzameld, een militair korps blies vrolijke marsmuziek en ik...? Ik kreeg een brok in de keel. Opeens vond ik het jammer om weg te gaan, in die ruim twee jaar was ik van dat prachtige land gaan houden en ik besefte nu heel goed, dat dit een afscheid voorgoed zou zijn. Toen we begin 1948 uit Nederland vertrokken, was het: Tot ziens, want we hoopten toch allemaal terug te komen, maar nu was het: Vaarwel! Na enige tijd liet het muziekkorps het Wilhelmus horen, direct daarna werden de trossen losgegooid en langzaam verwijderde de "Waterman" zich van de kade, terwijl de muzikanten weer marsmuziek speelden. Korte tijd later waren we op zee!

Bij vertrek staan er veel uitzwaaiers op de kade van Tandjong Priok

De thuisreis is begonnen

Direct de eerste dag kregen we boordgeld, elk voor vijfentwintig gulden, ook kregen we elk vijfhonderd sigaretten, Triumph en Capstan. Een paar dagen later kocht ik in de kantine nog eens vijfhonderd sigaretten, merk Capstan voor een tientje. Op 26 Mei kregen we nog eens 250 Capstan-sigaretten.

  

Het boordgeld waarmee betaald moest worden

Hierboven een boordgeldbiljetje van deze reis, met als vermoedelijke einddatum ca 12 juni. Het schip kwam dus in werkelijkheid drie dagen eerder aan, zoals uit dit verhaal blijkt.

We kregen snel slecht weer, er woei een storm op de Indische Oceaan. De "Waterman" heeft nog een omweg gemaakt om de ergste storm te ontwijken, maar dat lukte toch niet helemaal. Het schip ging behoorlijk tekeer, hierdoor waren er dan ook enorm veel zeezieken. Ik kon er vrij goed tegen, hoewel ik me toch ook niet voor honderd procent lekker voelde.

Zaterdag 27 mei '50: We passeren Kaap Quardafui op ongeveer 150 meter afstand, het was toen mooi weer en de zee was kalm.

Zondag 28 mei '50: Het is eerste Pinksterdag. De avond ervoor ben ik niet naar bed geweest. 's Avonds om half twaalf wilde ik naar bed gaan, maar het was beneden in het ruim zo snikheet, dat ik meteen weer aan dek ging. Tegen half drie was ik van plan om toch mijn bed op te zoeken, maar toen kwam net Aden in zicht, zodat ik maar aan dek ben gebleven. 's Middags om twee uur vertrokken we weer uit Aden. De volgende dag kregen we weer sigaretten, die waren in Aden voor ons ingekocht.

Bij Aden heet het s.s. "Waterman" enkele uren voor anker gelegen

Woensdag 31 mei '50: We zijn nu in Suez en de volgende dag in Port Saïd.

Vrijdag 2 juni '50: We passeren de "Zuiderkruis" op de Middellandse Zee. Het bleef 's avonds ook al langer licht, daar moesten we weer even aan wennen, want in de tropen is het 's avonds altijd om zes uur al donker.

Zaterdag 3 juni '50: We moeten aantreden in Europees tenue voor inspectie. Die avond passeerden we het eiland Malta. Twee dagen later moesten we al onze tropenkleren inleveren, ik ben toen ook op ziekenrapport geweest, want ik had een ontstoken bovenkaak, mijn bovenlip was erg dik en moest spoelen met waterstofperoxide. We begonnen het intussen ook steeds kouder te krijgen.

Woensdag 7 juni '50: Vandaag zijn we de Golf van Biskaje binnengevaren. We hadden het erg koud, ik had een dikke wollen trui aan, maar toch bibberde ik van de kou. De volgende dag kregen we een aantal toespraken. Eerst van de diverse commandanten en tot slot een afscheidswoord van de gezagvoerder. Die avond hadden we ook nog een afscheidskerkdienst, 's avonds om 22.00 uur moest iedereen in bed liggen.

Vrijdag 8 juni '50: Al om 04.00 uur is er reveille en om 05.00 uur ontbijt, het duurde niet lang meer of de kust van ons Hollandje kwam in zicht. Even later naderde de loodsboot, de machines werden stilgezet en de loods kwam aan boord en verder ging het weer. Het kon ons niet vlug genoeg gaan! Weldra passeerden we Hoek van Holland en voeren we op de Nieuwe Waterweg naar Rotterdam, waar we om 7.30 uur afmeerden. Daar kregen we toen eerst nog een paar toespraken, onder andere van vertegenwoordigers van de Koningin en Prins Bernhard. Om 9.30 uur begon het debarkeren, ik had toen erge pech en door die pech ook weer geluk, ik miste namelijk mijn rugzak. Al onze bagage was in een grote hal uitgestald, mijn plunjezak was er wel, maar de rugzak ontbrak. Ik ben toen naar de commandopost van de Koninklijke Marechaussee gegaan om aangifte te doen.

Intussen was de douane bezig met steekproeven, om te kijken of we soms te veel invoerden. Nu had ik vanuit de verte gezien, dat ze bij mijn plunjezak stonden en riepen: Van wie is deze plunjezak? Ik stond nog bij die commandopost en ze waren bezig om het een en ander te noteren en dus reageerde ik mooi niet op die douane. Het duurde nogal even bij die commandopost, zelfs zo lang dat de bus nog op mij moest wachten, mijn naam was al een paar keer afgeroepen. Toen ik eindelijk klaar was, had de douane inmiddels de moed opgegeven, snel greep ik mijn plunjezak en sprong in de bus. Had ik mijn plunjezak open moeten maken voor de douane, dan hadden ze daar veel te veel sigaretten in aangetroffen. Ik was dus een kleine smokkelaar! Zodra ik in de bus zat, begon deze te rijden. In Amersfoort werd even gestopt om iets te drinken. Op de Veluwe in Epe werd de eerste passagier afgeleverd en in Hattem volgde nummer twee. Daarna zijn we kris kras door Drenthe gereden en eindelijk, om zeven uur 's avonds, was het grote moment aangebroken! 

We arriveerden in Gieterveen, maar kwamen eerst over Bonnerveen. Toen we in Gieterveen aankwamen, leek het wel Koninginnedag. Van de meeste huizen wapperde het rood-wit-blauw! Ook op de zuivelfabriek, waar ik voor mijn diensttijd op kantoor zat, had men de vlag gehesen. De bus moest verder richting Wildervank en dus zei ik de chauffeur, dat hij wel op de driesprong bij Dijkhuizen kon stoppen. Toen ik daar uitstapte, werd me direct toegeroepen de plunjezak aan de kant te leggen, want die mocht ik niet zelf dragen. Daarna liep ik naar huis, maar dat ging niet zomaar, de straat zag zwart van de mensen, je kon bij wijze van spreken over de koppen lopen. De eerste die met uitgestoken hand naar me toe kwam was Dijkhuizen, links en rechts handen schuddend naderde ik toen ons huis. Toen ik tot het huis van Martijn was gevorderd, zag ik opeens mijn keeshond Teddy langs de kant van de weg lopen. Ter ere van mijn thuiskomst had hij een oranje strikje om zijn hals. Zachtjes noemde ik zijn naam: Teddy. Verwonderd keek hij om zich heen. Nog een keer zei ik zachtjes: Teddy en toen had hij het door dat ik het was!
Dol van vreugde kwam hij naar me toe, jankend en blaffend sprong hij tegen me op. Direct daarna ging hij op zijn rug liggen draaien en meteen sprong hij ook weer op, het was werkelijk heel ontroerend. Daarna ben ik samen met Teddy verder gelopen.

Voor ons huis aangekomen, moest ik wel even weer blijven staan om de versiering te bewonderen. Om bij de voordeur te komen, moest ik onder een fraaie ereboog door. In die ereboog ontbraken de elektrische lampjes niet, dat was van Vader natuurlijk ook niet anders te verwachten. Boven de ereboog bevond zich een soort lichtbak met de woorden Welkom Thuis en vlak onder de nok van het dak hing tegen de gevel een grote W van gekleurde lampjes. Boven op de nok van het dak stond nog een lange buis met vier ronde lampen, zo groot als voetballen, boven elkaar in de kleuren oranje-rood-wit-blauw. Dit had ik allemaal niet verwacht, het was overweldigend! Toen ik eindelijk naar binnen ging, stond de familie mij in de kamer op te wachten. Dat was mooi, want nu kon de eerste begroeting binnen plaats vinden. In de kamer waren, net als bij een bruiloft, lange tafels en klapstoelen neergezet. De hele avond was het een drukte van belang. Het leek wel of heel Gieterveen uitliep om mij te begroeten. Tot een uur of twaalf was de kamer propvol! Van de buren kreeg ik ter verwelkoming een zilveren dasspeld en een gouden monogramring! Mijn grote voorraad Engelse sigaretten kwam nu goed van pas. 's Nachts om twee uur lagen we eindelijk in bed.

En hiermee ben ik dan aan het eind van mijn dagboek gekomen. Ik heb nu nog een maand verlof, tijdens dat verlof heb ik vrij reizen per trein en bus door heel Nederland. Na die maand verlof moet ik me melden in het demobilisatiecentrum in Amersfoort en daarna ben ik weer burger. Mijn rugzak is ook terecht gekomen, die werd me na een paar weken per post nagestuurd.
Of ik radiotelegrafist zal worden bij de luchtmacht weet ik nog niet. Ik ben op de wachtlijst gezet.

Dit verslag is geplaatst met toestemming van dhr. W van Dam.

Pagina 3 van 3

  • 1
  • 2
  • 3
Designed by Gort-Design