• Home
  • Links
  • Gastenboek
  • Zoeken
  • contact

Verzamelgebied

  • Mijn hobby
  • Vaarroute op Ned. Indië
  • Troepentransportschepen
  • Gezocht

Scheeps- Boordgeld

  • Ontstaan van boordgeld
  • RL en KRL - biljetten
  • HAL - biljetten
  • SMN - biljetten
  • Gecharterde - biljetten
  • Rijnvaart - biljetten
  • VNS - biljetten
  • Zonder Mij.-naam biljetten
  • Hr. Ms. Luymes - biljetten
  • Munten

Molukse schepen

  • De 12 Molukse reizen

Reisverhalen

  • Stirling Castle
  • Alcantara (2 reizen)
    • Kennemerbataljon
  • Nieuw A'dam (4 reizen)
    • Thuisreis no. 62
    • Laatste Uitreis
    • Thuisreis no. 63
  • Ruys
  • Tegelberg
  • Joh van Old. 14 AAT
  • Verb.Dienst X Brigade
  • Sloterdijk (3 reizen)
    • Sloterdijk sept. '47
    • Sloterdijk (dec. '47)
  • Volendam (3 reizen)
    • Volendam (uitreis '48)
    • Volendam (thuisr. '49)
  • Nieuw Holland
  • Zuiderkruis/Waterman
  • Indrapoera 2-4 RI
  • Zuiderkruis (41 ZVE)
  • Kota Inten
  • Groote Beer
  • Pasteur
  • Gen. Stuart Heintzelman

Repatrianten

  • Greet Rooseboom &
  • Dick Rooseboom
  • m.s. "Willem Ruys"

 

Straatnaam 13-RI links

 Met 2-13 RI het 'Limburgs-Bataljon' naar Nederlands-Indië  

Voorwoord

In september 1944 was het zuidelijk gebied van Limburg het eerste deel van Nederland dat door de 30e Amerikaanse Infanterie Divisie werd bevrijd. Om de Duitsers tot een overgave te dwingen kregen de Geallieerden hulp van Nederlandse oorlogsvrijwilligers (OVW'ers). Deze mannen hebben zich daarvoor bij diverse wervingskantoren door het hele land kunnen aanmelden. Onder hen waren ook 800 Limburgers die ingedeeld werden bij het opnieuw op te richten 1-13 RI of het 2-13 RI. Toen de Duitsers capituleerden werden beide bataljons overbodig. De Nederlandse Regering zocht nog wel mensen die bereid waren om in Indië te gaan vechten tegen de Japanners. Veel jongens waren daar wel voor te vinden, zodat met voornamelijk Limburgse OVW'ers 2-13 RI werd gevormd. In de volksmond werd dit het 'Limburgs-Bataljon' genoemd.

  

                  2-13 RI tijdens een training en oefening en op de schietbaan (Mönchengladbach)  

Het waren veelal jongens van een bewakingsbataljon uit de regio Heerlen die tijdens de bezetting ingedeeld werden bij het 9e US Army en ingezet in de omgeving van Mönchengladbach. Hun taak bestond voornamelijk uit het bewaken van gebouwen en terreinen en om alle doorgangswegen te controleren op gezochte Duitsers die hun straf probeerden te ontlopen.

Reisverslag uit de dagboeken van Sgt. Alois Becker en Sld. Jaak (Jack) van Voorden

Het hieronder beschreven reisverslag met het s.s. “Alcantara” is samengesteld uit de dagboeken van Alois L. Beckers en Jacobus Hubertus van Voorden (Jaak). Beiden waren ingedeeld bij het 'Limburgse Bataljon'. Sergeant Alois Beckers en soldaat Jaak van Voorden hebben niet bij dezelfde compagnie gediend en in hoeverre ze elkaar in die periode hebben gekend is mij niet bekend. Alois Becker vertrok op 15 september '45 met het s.s. "Lady of Mann" vanuit Oostende naar Engeland en Jaak van Voorden vier dagen later op 19 september met het s.s. “Prinses Astrid”. In het Engelse Aldershot (Ramillies-barakken) kregen ze aanvullende training en een degelijke uitrusting. Na het voltooien van de training vertrekken ze op 11 oktober '45 naar de havens van Liverpool en zullen ze met het s.s. “Alcantara” naar Ned. Indië afreizen.

Van Jaak is bekend dat hij tijdens de bezettingsjaren vanuit zijn woonplaats Heerlen dwangarbeid in Aken moest verrichten en dat de reis naar Aken iedere keer opnieuw te voet moest gebeuren. Een wandeling die voor de jonge Jack toen niet geheel zonder gevaar was, want Aken werd in die periode bijna dagelijks gebombardeerd door de Engelsen. Hij moest dan regelmatig dekking zoeken in een van de dichtstbijzijnde greppels. In de oorlogsjaren wist hij de Duitsers stelselmatig dwars te zitten, waaronder een overval op een paard en wagen van de bezetters. Bij deze overval werden zelfs wapens buitgemaakt. Helaas verliepen niet alle acties volgens plan. Zo werd Jack een keer gegrepen en door de Duitsers zodanig afgestraft dat zijn eigen moeder hem niet wist te herkennen. De moffen hadden hem aan handen en voeten vastgebonden en vervolgens van een twee meter hoge muur gegooid. Jack was overigens niet de enige in zijn familie die naar Indië vertrok, zijn broer Sjeng reisde met hem mee op het s.s. "Alcantara". Een van de kameraden die Jack tijdens zijn verblijf op Java heeft leren kennen is José Prevaes (Buck). Het is een buurtgenoot van Jack, krijgt een verhouding met zijn zuster en worden zwagers. Zowel Jack als Buck hebben hun Engelse voornaam te danken aan de Amerikanen vanuit de bezettingsperiode en hebben deze naam de rest van hun leven aangehouden.

    

Uit de periode dat Jack van Voorden dwangarbeid moest verrichten in een Duits werkkamp in Aken

Het vertrek van Sgt. Alois Becker vanuit Niederkrüchten over Krefeld en Oostende naar Aldershot

Voor Sgt. Alois Beckers verliep de reis in grote lijnen op dezelfde manier als bij Jack van Voorden het geval was. Ook Alois Becker heeft zich in het voorjaar van 1945 als oorlogsvrijwilliger aangemeld bij het 2-13 RI, het bataljon dat op 21 maart ’45 werd heropgericht in Mönchengladbach. Ze werden toegevoegd aan het US 9th Army en in een houten barakkenkamp in Niederkrüchten gelegerd, vanwaar ze diverse objecten in en rond het nabijgelegen Mönchengladbach moesten bewaken en beveiligen.

Tussen de puinhopen in Mönchengladbach (Alois Becker aug.'45)

Na de Duitse capitulatie werd Alois Becker als OVW'er ingedeeld bij het district Limburg en bevorderd tot sergeant. Hij vertrok met trucks vanuit het Duitse Niederkrüchten naar het station in Krefeld en ging vandaar met de trein naar Oostende, vanwaar hij op 15 september ’45 om 14.00 uur met het ss "Lady of Mann" aan de oversteek naar Dover begon. Het was een regenachtige dag, maar de zon kwam in de middag gelukkig wel door, waardoor de reis een stuk aangenamer werd. Om 18.00 uur meerde het s.s. "Lady of Mann" aan in de haven van Dover en begon het debarkeren. Vanuit Dover vertrok hij met de trein naar de Ramillies-barakken in Aldershot voor een training.

Het s.s. "Lady of Mann" waarmee Alois Becker naar Engeland vaart ligt aan de kade in Oostende

Het vertrek van Sld. Jack van Voorden vanuit Niederkrüchten over Krefeld en Oostende naar Aldershot

Dinsdag 18 september 1945: Om 06.00 uur wordt er appèl geblazen. Iedereen moet bijtijds klaar zijn met wassen en ontbijten, want het zal een drukke dag worden. Alles moet namelijk ingepakt worden en gereed staan voor vertrek naar Oostende, omdat ze vandaar met de boot naar Engeland zullen overvaren. Als ze in Engeland zijn zullen ze in Aldershot een training krijgen en hun tropenuitrusting ontvangen, zodat ze goed voorbereid aan hun missie in Ned. Indië kunnen beginnen om daar de orde en rust te herstellen. Iedereen is dus vandaag druk bezig met inpakken van hun spullen en Sld. Jack van Voorden is een van hen. Voor Jack valt het moment van vertrek niet op een gunstig tijdstip, want hij heeft de afgelopen dagen met een stevige griep in bed gelegen en is daar nog niet van hersteld. Ondanks dat hij zich gammel voelt doet hij wel zijn uiterste best om daar niets van te laten merken en doet zo en goed en kwaad als dat mogelijk is met de groep mee. Nadat alles en iedereen klaar is voor vertrek gaan ze meteen eten, want de trucks die hen naar het station van Krefeld zullen brengen zijn al onderweg. Om 18.00 uur staan de trucks klaar voor vertrek op het terrein van kamp Niederkrüchten en rijden ze over Mönchengladbach naar Krefeld.  

Sjeng van Voorden tussen de puinhopen van Mönchengladbach

Nadat ze in Krefeld met enige moeite hun zware bagage het station hebben binnen gesjouwd kunnen ze meteen de trein instappen die al voor hen klaar staat. Het duurt dan best lang voordat iedereen er in zit, maar om 21.15 uur komt er dan toch beweging in de trein. Het is wel jammer dat het al donker is want zo missen ze wel het nodige vanwaar ze langsrijden. Ze zitten behoorlijk opeengepakt in de coupé ’s en met alle bagage daarbij is dat best krap. Ze rijden ook nog een stukje door Holland en juist dan vinden ze het jammer dat het donker is, want het vaderland zullen ze voorlopig niet terug zien. Veel jongens proberen uiteindelijk wat te slapen, maar dat valt natuurlijk niet mee met al die drukte. Sommigen proberen zelfs om over hun bagage te gaan liggen in de hoop om zo in slaap te vallen, maar dat houdt natuurlijk niemand lang vol.

Woensdag 19 september 1945: De hele nacht dendert de trein voort en juist als het licht begint te worden, krijgen heel wat jongens het te kwaad en dommelen alsnog in. De een na de ander zie je in slaap sukkelen, maar om 09.00 uur wordt iedereen abrupt gewekt omdat de trein schokkende bewegingen maakt en stemmen klinken. Dat is een teken dat ze bij Oostende zijn aangekomen. Om 10.00 uur komt de trein tot stilstand en moet iedereen nog suf van de reis zijn bagage bijeenrapen. Als ze de trein nog maar net verlaten hebben klinkt het commando ‘Bagage pakken en volgen’. Voor Jack valt het gezeul met zijn bagage niet mee, maar die zware last sjouwt hij wel dapper met zich mee. Toch wordt het hem allemaal te veel en kan hij geen stap meer verzetten. Hij krijgt toestemming om het rustig aan te doen, zodat hij in ieder geval zijn eigen tempo mag bepalen. Iets verderop ziet hij een kok van het bataljon lopen die het ook niet meer kon opbrengen en samen weten ze een man met paard en wagen over te halen om hen naar het doorgangskamp te brengen. Als ze dat transitkamp hebben bereikt worden ze op een goede maaltijd met heerlijk schapenvlees getrakteerd en daar waren ze na zo'n barre tocht wel aan toe.

Om 11.00 uur gaat de reis verder, maar ook nu is dat weer zonder Jack en de kok in de gelederen. In hun eigen tempo zeulen beide mannen hun bagage met zich mee en voelen zich net muilezels. Op een gegeven moment besluit Jack om zijn slaapzak een eigen leven te laten leiden, want als hij dat ding het hele eind moet meesjouwen dan haalt hij de bestemming zeker niet. Niet veel later stopt er een Belg met paard en wagen naast hen. De beste man zag hen zwoegen, heeft het met hen te doen en vraagt waar de reis heen gaat. Hoe toevallig kan het toch zijn dat ook nu hulp wordt aangeboden om beide mannen naar hun eindbestemming te brengen. Als ze in de haven van Oostende aankomen zien ze het s.s. “Astrid" aan de kade liggen. Jack en de kok melden zich bij de SP (scheepspolitie) en vragen waar ze hun onderdeel kunnen vinden. Tevreden dat ze het toch weer hebben gehaald sluiten Jack en de kok zich aan bij hun onderdeel en merken meteen dat zij niet de enige zijn die moeite met de wandeling hadden. Iedereen is doodop en Jack was ook niet de enige die zijn veldbed opofferde, je kwam die dingen wel vaker langs de route tegen.

Het s.s. "Prinses Astrid" waarmee Jack de overtocht van Oostende naar Engeland heeft gemaakt

Om 13.15 uur arriveren er sleepboten die het s.s. “Prinses Astrid” de haven uit zullen slepen. Terwijl de trossen los worden gemaakt klinkt uit volle borst het Wilhelmus en wuiven de jongens Overste Willemsen en nog enkele officieren uit die op de kade zijn achtergebleven. Na een uur varen wordt het bij de reling alleen maar drukker en dat is niet omdat ze zo graag naar de zeemeeuwen willen kijken. De zee is zo onrustig geworden dat de golven tegen de romp van schip beuken. Dat is dan ook de reden dat onze landrotten massaal zeeziek worden en bij de reling de inhoud van hun maag aan de vissen offeren. Ondanks dat het schip te keer blijft gaan en de golven zelfs over het dek slaan heeft Jack geen last van zeeziekte en weet zich redelijk staande te houden. Om 17.00 uur moet Jack er ook aan geloven, hij wordt alleen maar beroerder en alles begint voor zijn ogen te draaien. In een hoog tempo voelt hij zich steeds zieker worden en krijgt het gevoel alsof hij stervende is. Heel graag zou hij willen overgeven met de hoop dat hij zich beter zou voelen, maar dat lukt hem niet. Terwijl Jack naar de reling waggelt ziet hij nog wel dat de krijtrotsen van Dover zichtbaar zijn. Als hij nog maar net bij de reling staat, heeft hij de pech dat op het dek boven hem iemand naar beneden staat te kotsen. Alsof het allemaal nog niet erg genoeg is krijgt hij van hem de volle laag over zich heen. Van ellende gaat hij naar beneden, maar weet eigenlijk niet waar hij het moet zoeken. Ondanks dat hij zich heeft opgefrist blijft hij beroerd en vraagt zich af of hij de overkant wel levend gaat halen. 

Aldershot (Ramillies-barakken)

Aldershot (Jack en Sjeng van Voorden)

God zij dank bereiken ze om 18.00 uur de kust van Engeland en varen ze de haven van Dover binnen. Nadat iedereen is gedebarkeerd wordt alles in gereedheid gebracht om met de trein naar Aldershot te rijden. Alles loopt blijkbaar gesmeerd want om 21.00 uur vertrekt de trein al. Het wordt een vermoeiende reis want iedereen is al doodop van de zeereis en slapen is er alweer niet bij. Midden in de nacht om 01.30 uur komen ze in Aldershot aan. Jack en nog vier jongens hebben de pech dat ze wacht moeten houden bij de bagage, terwijl de anderen in trucks naar het kamp verdwijnen. Terwijl ze de boel staan te bewaken krijgen ze van een wildvreemde kapitein opdracht om de bagage naar een andere plek te brengen. Omdat ze moe zijn en deze officier niet eens kennen weigeren ze zijn opdracht uit te voeren. De kapitein roept hen bij zich, maar de jongens hebben geen behoefte aan zijn gezeur en laten hem gewoon lullen. Omdat op datzelfde moment een truck komt aanrijden voor de bagage, wordt alles meteen ingeladen, de jongens stappen achterin en ze vertrekken naar het kamp. Het gedoe met die kapitein is daarmee meteen opgelost. Als ze om 03.00 uur het kamp bereiken zoeken ze meteen de keuken op, want ze rammelen van de honger. Het duurt even voordat ze die gevonden hebben, maar dan wordt er wel meteen wat voor ze geregeld. Daarna moeten ze ook nog uitzoeken waar hun compagnie zit en in een kamp zo groot als een stad zal dat niet meevallen. De goden zijn blijkbaar met hen, want na tien minuten hebben ze hen al gevonden. Het is 04.30 uur als ze eindelijk in bed kunnen kruipen. Al meteen mist Jack zijn veldbed, want daar lag hij een stuk aangenamer op dan de bedden die ze hier hebben. Gelukkig help de vermoeidheid hem om snel in slaap te vallen.

Twee markante strijders van 2-13 RI 

Donderdag 20 september 1945: Om 09.30 uur is er reveille. Jack gaat zich meteen wassen, want hij krijgt zo'n beetje het gevoel dat hij in twee weken geen water heeft aangeraakt. Daar was vaak geen tijd voor of er was simpelweg geen water voor handen. Vanochtend hebben ze vrijaf en dat komt goed uit, want zo kunnen ze een beetje bijkomen van de afgelopen dagen. Om 14.00 uur worden de wapens geïnspecteerd en om 16.00 uur komt er een dokter langs voor een herkeuring. Van de 27 jongens die bij Jack op de kamer liggen worden er twee afgekeurd en moeten terug naar Holland. Ze mogen momenteel het kamp nog niet uit, zodat Jack besluit om naar een van de vier bioscopen op het kamp te gaan en kiest voor een ouderwetse cowboyfilm. Na het avondappel besluit Jack om toch stiekem naar de stad te gaan en vertrekt om 19.00 uur. Als hij in de stad aankomt valt het meteen op dat de straatverlichting feller brand dan ze in Holland gewend zijn, maar dat zou ook kunnen komen omdat het nu mistig is. Wat Jack ook opvalt is dat vrouwen op straat roken. Zo ziet hij een keurig geklede vrouw van ongeveer 50 jaar bij een bushalte staan, een pakje sigaretten tevoorschijn haalt en begint te roken en dat zijn wij in Holland niet gewend. Ook als dames aan het winkelen zijn hebben ze er geen enkele moeite mee om met een sigaret in de mond een winkel binnen te stappen. Als hij een poosje in de stad heeft rondgekeken besluit hij om terug naar het kamp te gaan. Juist op tijd want om 21.30 uur is er appel en als hij gemist zou worden dan zou er vast wat voor hem hebben gezwaaid. Na het appel gaat hij met een tevreden gevoel naar bed.

Enkele Limburgers voor hun verblijf van de Ramillies-barakken

Vrijdag 21 september 1945: Om 06.00 uur is er reveille. Na het ontbijt moeten ze hun wapens inleveren en daarna hebben ze exercitie tot het tijd is voor het middageten. Om 14.00 uur komt de kleermaker langs om de maat voor de tropenuniformen op te nemen. Ze krijgen een wit uniform met korte broek, een buitenmodeluniform in het wit met lange broek en een grijs uniform. De beste man heeft dus heel wat te meten. Verder gebeurt er vanmiddag niet echt iets bijzonders. Vanavond gaat Jack weer naar de stad in de hoop dat daar wat te beleven is, maar dat is helaas niet zo. Daar is natuurlijk wel wat te bleven, maar dan moet je wel geld hebben en dat hebben ze nog steeds niet ontvangen. Kinderen lopen hier constant achter je aan te hobbelen en hopen zo iets van je krijgen. Om 21.00 uur is Jack uitgekeken en gaat terug naar het kamp. Ook daar is niet echt wat te beleven, zodat hij besluit om naar bed te gaan.

Ineens blijkt er toch wel wat te doen. De sergeant van de week is zojuist van de kamer vertrokken om rapport uit te brengen. De jongens besluiten om zijn bed uit elkaar te halen en het onderstel aan het plafond te hangen, daarna worden de lampen uit de fitting gehaald en de bank komt midden in de kamer te staan. Ze duiken in bed en doen alsof ze slapen. Muisstil wordt er op de terugkomst van de sergeant gewacht. Als hij de kamer binnenkomt begint hij te vloeken omdat het licht het niet doet en breekt bijna zijn nek over de bank. Vanuit alle hoeken van de kamer hoort hij gegrinnik en heeft natuurlijk allang door dat hij er is ingeluisd en als hij het onderstel van zijn bed aan het plafond ziet hangen laat hij niets merken. Hij gaat naar zijn spulletjes, pakt zijn veldbed en merk dan dat ook zijn dekens zijn verdwenen. Als hij deze niet kan vinden wordt het hem allemaal te veel, hij opent het raam, gooit zijn veldbed naar buiten en al vloekend en tierend rukt hij bij iedereen de dekens van het bed en haalt hij alle bedden uit elkaar. Als hij uitgeraasd is draaien de jongens de lampen weer terug in de fitting en dan lijkt het alsof er een bom is ontploft. Door al die ongein is het 01.00 uur geworden. Jack maakt zijn bed in orde om te kunnen slapen, terwijl anderen ervoor kiezen om alles zo te laten en slapen gewoon op de grond.

Zaterdag 22 september 1945: Tot 10.00 uur is er niets bijzonders gebeurd, wel gegeten en appèl gehad, maar over dergelijke alledaagse dingen wil Jack het nu niet meer hebben. Om 10.00 uur moeten ze naar de tandarts voor controle, maar daarover krijgen ze nog geen uitslag. Na het middagappel wordt voor het eerst soldij in Engels geld uitbetaald, zodat ze eindelijk naar de stad kunnen met geld op zak. Een knus café waar je lekker kan zitten om te praten kennen ze hier niet, het zijn allemaal bars zonder krukken. Wel hebben ze hier in de stad veel meer te koop dan ze in Holland gewend zijn en spullen op de bon kopen kennen ze hier niet. Als ze om 21.30 uur terug zijn in het kamp duiken ze meteen in bed.

Een lange straat die in Aldershot tussen de Ramillies-barakken door loopt

Zondag 23 september 1945: Jack heeft vandaag kamerwacht en kan dus niet naar de stad. Het is een saaie dag, maar om 17.00 uur wordt hij onverwachts afgelost. Een jongen heeft straf gekregen omdat hij gisteravond te laat terug in het kamp was en moet daarom de wacht van Jack overnemen. Soms kan een mens geluk hebben en dit keer is het geluk aan Jack zijn zijde. Hij maakt daar meteen gebruik van en gaat met enkele kameraden naar de stad. Ze bezoeken verscheidene bars en een speelhal en daarna is het alweer tijd om terug naar het kamp te gaan.

Maandag 24 september 1945: Vandaag hebben ze tot 14.00 uur dienst en meteen daarna geeft een dokter inlichtingen over de ziektes die je in de tropen kunt oplopen. Vervolgens ontvangen ze hun eerste prik, waarbij een hospik de jongens hun bovenlijf laat ontbloten zodat alles snel verloopt. Het schijnt een stevige prik te zijn en Jack is dan ook benieuwd welk spul hij in zijn lichaam krijgt, maar een duidelijk antwoord krijgt hij daar niet op. Het is alweer 18.00 uur als hij bij de dokter weg kan. Die prik is best gevoelig, maar dat houdt de jongens niet tegen om naar de stad te gaan. In Aldershot is het vandaag erg druk, overal zie je militairen rondlopen, maar dat zijn ze daar wel gewend. Als ze om 21.00 uur terug in het kamp zijn heeft ongeveer iedereen last van een stijve arm. Voordat ze naar bed gaan wordt er eerst nog wat nagepraat over die gemene prik en vragen ze zich meteen af hoeveel ze er nog kunnen verwachten.

Dinsdag 25 september 1945: Het is alweer een week geleden dat ze uit Duitsland vertrokken. Vandaag hebben ze geen dienst en dat komt omdat veel jongens beroerd op bed liggen. De reden is die prik en degene die niet ziek op bed ligt loopt wel met een stijve arm rond. Toch gaan behoorlijk wat jongens vanavond gewoon naar de stad. Jack is daar een van, maar hij keert alweer meteen terug naar het kamp omdat hij verhoging heeft en de oorzaak moet ongetwijfeld die verrekte prik zijn. Als hij terug in het kamp is gaat hij meteen naar bed en valt gelukkig snel in slaap.

Woensdag 26 september 1945: Tijdens de reveille voelt Jack zich gelukkig alweer de oude en kan dus gewoon meedoen met alle diensten. De ochtend verloopt met de gebruikelijke diensten en om 13.00 uur kunnen ze hun wapens terughalen, wapens die niet in orde waren zijn vervangen. Om 19.00 uur gaan ze naar de dokter voor een tweede marteling, want een prik kan je het niet noemen. Ze moeten wel net als bij de vorige keer het bovenlichaam ontbloten. Als je aan de beurt bent wordt eerst je arm ingesmeerd met een wit goedje en dan volgt die behandeling. Jack ziet hoe zijn voorganger onwel wordt en tegen de grond dreigt te gaan, hij wordt op een stoel geholpen en moet zijn hoofd tussen de knieën houden totdat hij zich weer goed voelt. Nou dat belooft nog wat, denkt Jack meteen. Als hij aan de beurt is pakt de dokter zijn rechter bovenarm vast en maakt daar met een niet al te scherp mesje twee sneetjes in, net boven elkaar en dat is een rot gevoel. Daarna moet Jack naar een volgende tafel waar een of ander onbekend goedje op beide wondjes wordt gesmeerd en dat prikt behoorlijk, er wordt een verband omheen gedaan en dan is deze behandeling klaar. Ook dit bezoekje aan de dokter was dus niet prettig. Die laatste man vertelde er nog bij dat het over vier dagen herhaald moet worden, maar dan mag het niet zweren. Hierna gaat Jack nog even naar de cantine waar juist op dat moment de nodige opschudding is ontstaan, maar wat daar de aanleiding toe was weet hij niet. Om 22.00 uur is Jack weer terug op zijn kamer en kruipt meteen onder de wol, er wordt nog wat nagepraat en gelachen en gaat dan slapen. 

Donderdag 27 september 1945: Na de dagelijkse beslommeringen gaan ze om 09.30 uur de leren koppels, draagriemen, kapjes en andere spullen inleveren voor nieuwe die van linnen zijn gemaakt. Alles wordt meteen gepoetst (blancoën) en voorzien van hun legernummer. Daarna worden er nieuwe schoenen uitgedeeld. Minder leuk is dat ze vanavond niet naar de stad kunnen omdat er dan tropenkleding wordt uitgedeeld. Om 18.00 uur staat iedereen aangetreden om alvast een deel van de tropenkleding in ontvangst te nemen. Het zijn een korte broek en een kaki shirt. Eenmaal terug op de kamer is het meteen feest, want als ze elkaar zo zien rondhuppelen in korte broek en behaarde benen moeten ze hard lachen. Om 21.00 uur zitten ze nog steeds op de rest van hun kleding te wachten. Ze mogen wel opschieten want ze hebben nu wel lang genoeg gewacht. Het is 22.00 uur wanneer ze eindelijk opnieuw kunnen opdraven om de rest van hun kleding in ontvangst te nemen en als ze daar klaar mee zijn kunnen ze meteen door naar bed.

Vrijdag 28 september 1945: Vandaag moeten ze om 10.00 uur alweer aantreden voor kleding, nu om overjassen in ontvangst te nemen. Verder gebeurt er eigenlijk niets bijzonders, alleen dat er vanaf vandaag om de dag een nieuwe lichting Hollandse militairen het kamp binnenkomt en die gaan net als de rest allemaal naar Ned. Indië.

Zaterdag 29 september 1945: Vandaag is er om 06.30 uur reveille. Na het ochtendappèl ontvangen ze hun tropenkousen en dat zijn hele aparte dingen, er zitten namelijk geen voetenstukken in en zijn dus eigenlijk beenbeschermers. De jongens hebben er momenteel flink de pest in, want ze kregen zojuist te horen dat ze pas op 14 oktober naar Indië zullen vertrekken en zijn van mening dat wanneer ze hier nog zo lang moeten verblijven zich kapot zullen vervelen. 

Zondag 30 september 1945: Het is zondag zodat ze vrij zijn om te doen wat ze zelf willen. Na de kerkdienst gaat Jack een wandeling maken naar het vliegveld. Op dat vliegveld kan je zo’n beetje alle modellen zien die er bestaan; jachtvliegtuigen, grote viermotorige bommenwerpers en moderne straalvliegtuigen die geen propellers meer hebben. Daarna wandelt hij nog een stuk verder en bezoekt enkele dranklokalen.

Maandag 1 oktober 1945: Deze dag staat hoofdzakelijk in het teken van het in ontvangst nemen van allerlei goederen, want ze hebben onverwachts te horen gekregen dat ze donderdagnacht al vertrekken. Iedereen is meteen dol enthousiast, want dat had niemand meer verwacht. Verder zijn er geen bijzonderheden te melden.

Dinsdag 2 oktober 1945: Vandaag moeten ze alles inpakken wat ze niet meer nodig denken te hebben. Om 15.00 uur moeten ze zich weer bij de dokter melden, dit keer voor controle van de wondjes van die laatste behandeling. Bij Jack is de uitslag positief en dat houdt in dat het niet helemaal oké is omdat zijn wondjes zweren. Zelf vindt hij dat niet erg, want nu hoeft hij die tweede behandeling niet te ondergaan. Vanavond heeft hij minder geluk omdat hij brandpiket moet lopen. Dat houdt in dat hij met nog een jongen om de twee uur een ronde moet lopen en dat gaat zo de hele nacht door. Als zijn brandpiket erop zit is hij bekaf en kruipt meteen onder de wol.

Woensdag 3 en donderdag 4 oktober 1945: Jack is inmiddels zo beroerd door de koorts dat hij de hele dag in bed blijft. Ook de dag daarna lukt het hem niet om uit bed te komen. Het is maar goed dat het vertrek naar Indië ook donderdagnacht niet doorgaat, want dan zou Jack met precies helzelfde probleem te maken krijgen als toen hij vanuit Duitsland naar Oostende vertrok, toen was hij namelijk ook ziek en dat wil hij liever niet nog eens meemaken. 

Vrijdag 5 oktober 1945: Omdat Jack nog steeds ziek is komt er een dokter langs en deze geeft hem advies om minimaal tot zondag in bed te blijven. Gelukkig ontvangt hij vandaag post van thuis en dat helpt hem eigenlijk meer dan alle aspirientjes van de dokter. Momenteel is iedereen op de kamer chagrijnig en dat komt niet omdat Jack ziek is. Iedereen is kwaad omdat ze te horen kregen dat ze niet voor 11 oktober zullen vertrekken. De reden is dat de havenarbeiders in heel Engeland staken en dan zal geen enkel schip de haven verlaten. 

Zaterdag 6 oktober 1945: Vandaag worden er alweer nieuwe uniformen uitgedeeld en hebben ze meteen inspectie van hun overige kleding. Iedereen verveelt zich dood, want er is simpelweg niets te doen. Jack verveelt zich al helemaal, want hij mag vanwege zijn ziekte niet eens naar buiten. Hier verandert blijkbaar alles met het uur, want nu krijgen ze weer te horen dat ze donderdag 11 oktober naar Liverpool vertrekken en er wordt bij gezegd dat het nu definitief is.

Zondag 7 en maandag 8 oktober 1945: Vanwege zijn arm moet Jack nog steeds binnen blijven, maar hij mag wel naar de kerk. Vandaag moeten ze alle spullen van het bataljon inpakken die daarna door 15 man naar Liverpool gebracht worden. Hun eigen spullen hoeven ze pas in te pakken als daar orders voor zijn. Inmiddels heeft Jack niet zo heel veel last meer van zijn arm, zodat hij naar de bioscoop op het kamp kan. Ze moeten natuurlijk niet tegen zijn gevoelige arm stoten, want daar kan hij nog even niet tegen.

Dinsdag 9 oktober 1945: Vandaag hebben de jongens een mars met volle bepakking en dat valt nog niet mee. Jack krijgt zelfs medelijden met de jongens als hij ze zo ziet zwoegen, want zelf hoeft hij vanwege zijn arm geen bepakking mee te sjouwen. Na een stevige wandeling van zo'n zeven kilometer komen ze bij een schietterrein waar ze ook nog eens vier uur schietoefening hebben, daarna gaat het via dezelfde weg terug naar het kamp. Tijdens de terugreis wordt Jack ook gespaard en mag hij zelfs met de munitiewagen meerijden. Om 14.00 uur is iedereen weer terug in het kamp. Jack heeft besloten om vanavond maar weer eens een bezoekje aan de stad te brengen, want dat heeft hij de laatste dagen moeten missen.

Woensdag 10 oktober 1945: Vandaag gaan ze naar Londen, dat ligt niet zo heel ver van Aldershot vandaan en is zeker een bezoekje waard. Ze kunnen daar ook niet al te lang meer mee wachten, want voor je het weet zitten ze op de boot naar Indië. Ze gaan eerst te voet naar het station van Farnborough om met de trein naar London te kunnen. Om 09.00 uur vertrekt de trein en al snel rijden ze in rap tempo door het glooiende landschap van Engeland. Nadat ze een vliegveld en spoorbrug zijn gepasseerd rijden ze Londen binnen, waar gebombardeerde huizen nog steeds aan de oorlog doen herinneren. Bij Waterloo Station stappen de jongens uit en gaan ze met een roltrap ongeveer 50 meter naar beneden om de ondergrondse te nemen. Onderweg naar de ondergrondse moeten ze op sommige plekken wel hun veldmuts vasthouden, anders zou die zomaar weg kunnen waaien. Zo’n ondergrondse komt met behoorlijk hoge snelheid een station binnenrijden, als hij tot stilstand is gekomen gaan automatisch alle deuren open en moet iedereen snel in- of uitstappen, de deuren gaan ook weer automatisch dicht en met dezelfde snelheid als hij aankwam gaat hij ook weer verder. Het is een hele aparte belevenis om zo'n rit mee te maken en het valt meteen op dat het zo warm is in zo'n rijtuig. Met Piccadilly Station is hun doel bereikt en stappen ze uit.

Als ze bovengronds zijn gaan ze als eerste een bezoek aan Buckingham Palace brengen waar de koninklijke familie woont. Het is een prachtig gebouw met daar omheen een enorm smeedijzeren hek. Alleen de bouw van het paleis heeft al 10 miljoen gekost en daar komen de kosten van dat hek nog bij. Voor de hekken staat de paleiswacht en zie je een standbeeld van Koningin Victoria. De jongens hopen een glimp van de koninklijke familie op te kunnen vangen, maar die laten zich natuurlijk niet zien. Als ze verder gaan zien ze een zuil van wel 30 meter hoog met daarop een standbeeld van de Hertog van York. Iets verderop zien ze op Trafalgar Square alweer een standbeeld, deze is van Nelson die in de periode van Napoleon leefde. Weer iets verder zien ze de erepoort ter ere van Koningin Victoria met daarop de tekst vertaalt uit het Romeins, ‘Tijdens de 10-jarige regering van Koning Eduard V11 hebben dankbare burgers dit monument ter ere van Koningin Victoria opgericht; anno 1910’. Als ze bij het Ministerie van Oorlog aankomen zien ze voor het terrein al meteen de Horse Quards staan. Dat zijn schildwachten gekleed in een uniform uit vervlogen tijden, ze hebben een sabel als wapen over hun rechterschouder hangen en ze zitten op een paard. Door dit alles zien ze er best indrukwekkend uit.

Een imposant uitziende Horse Quard houdt de wacht voor het gebouw waar het Ministerie van Oorlog is gevestigd

Als ze via een smeedijzeren hek het terrein oplopen zien ze nog meer schildwachten, maar die hebben geen paard, wel een sabel. Hierna gaan ze naar Downingstreet 10, waar Prime-Minister Clément Attlee woont. De jongens raken niet echt onder de indruk van dit gebouw en Jack al helemaal niet, hij vindt het wel iets weg hebben van een arbeidershuisje. Niet veel later komen ze langs de Big Ben en dat is natuurlijk wel een prachtig gebouw. Juist op het moment dat ze er langs lopen slaat de klok 10.15 uur. Voor Jack is dat een bekend geluid want deze klokken heeft hij over de radio ook al diverse keren gehoord. Onwillekeurig gaan zijn gedachten uit naar het klokje van thuis en of ze de radio daar nu ook aan zouden hebben? Hij droomt nog wat verder en wordt dan plotseling op zijn schouder getikt. De jongens zijn al verder gelopen hoor! Een officier vraagt hem daarna of hij nog van plan is om mee te komen.

De prachtige toren van de Big Ben in al zijn glorie

Ze gaan nu bij de Westminster Abbey naar binnen waar je ook het graf van de Onbekende Soldaat kan vinden. Ook dit is een prachtig gebouw met overal langs de muren standbeelden van Engelse grootheden. De bouw bestaat hoofdzakelijk uit enorme pilaren met daartussen bogen en koepels en overal zijn glas-in-loodramen. De grootste ramen kunnen zomaar 30 meter hoog zijn. Toen Jack voor het graf van Arthur Neville Chamberlain stond had hij daar toch wel wat anders van voorgesteld, het is eigenlijk niets meer dan een simpele vloertegel waar hij zelf momenteel ook op staat. De tegel is niet groter dan 60 x 60 cm. met de tekst ‘Nevile Chamberlain 1819-1940 - Prime-Minister 1937 – 1940’ en is gewoon in de vloer gemetseld. Als je wat verder rondkijkt dan zie je zelfs graven uit 1104. Vanaf het binnenplein heb je een mooi uitzicht op de toren van Houses of Parliament. Hierna gaat de wandeling weer verder en zien ze langs de Theems een Obelisk uit 1819 die door de Egyptenaren aan de Engelsen werd geschonken.

Uitstapje naar Londen, hier in het Hyde Park (Alois Becker)

Hierna zit de wandeling erop en pakken ze de ondergrondse naar het Hyde Park. Na ook nog een rondje Hyde Park gaan ze daar eten en uitrusten van de vermoeiende wandeling. Op een gegeven moment merkt Jack dat ze nog maar met zijn tweetjes in het park zijn, want de rest is nergens meer te bekennen. Ze besluiten om meteen de ondergrondse te nemen en terug te rijden naar Waterloo Station, zodat ze daar op de rest kunnen wachten. Het is 21.00 uur als iedereen terug in kamp Aldershot is. Daar krijgen ze meteen te horen dat Prins Bernhard op bezoek is geweest, inspectie heeft gehouden en voor iedereen 25 sigaretten heeft achtergelaten. Na zo'n vermoeiende dag besluiten de jongens om bijtijds naar bed te gaan en hebben niet veel tijd nodig om in slaap te vallen.

Beschrijving van de reis met het s.s. "Alcantara"

Liverpool                         Ned. Indië

   12 oktober ’45                  11 november ‘45

Het troepenschip s.s. "Alcantara" in volle glorie

Het s.s. "Alcantara" werd gebouwd bij Harland & Wolff te Belfast en kwam in 1926 als passagierschip in de vaart. Het s.s. "Alcantara" en s.s. "Asturias" zijn zusterschepen en hebben beiden troepentransporten op Nederlands-Indië verzorgd. In 1943 werd het s.s. "Alcantara" gevorderd door de Engelse regering en aangepast om troepen te vervoeren. Tijdens dit reisverslag zijn aan boord; 1 RS en 7(111) RS (samen 801 man), 2-13 RI en 2-14 RI en dit zijn allemaal OVW'ers. Ook reist er een contingent van de LSK met 261 man mee. 

Het s.s. "Alcantara" komt los van de kade (foto ter illustratie van reis 31-12-45) 

Donderdag 11 oktober 1945: Om 06.00 uur is er reveille en na het ontbijt moet iedereen zijn uitrusting controleren en in orde maken voor vertrek. Om 09.30 uur krijgen ze het bevel om alles bijeen te pakken en dat is een nogal zware vracht. In marstempo vertrekken ze naar het station van Farnborough. Doordat de arm van Jack nog steeds niet in orde is heeft hij erg veel moeite met die zware last, zodat het voor hem nauwelijks is op te brengen. Het valt overigens voor niemand mee, het lijkt wel dat je lichaam in het niets verdwijnt met al die spullen. Om 11.00 uur weet iedereen het station toch te bereiken en om 12.30 uur komt er beweging in de trein. In de coupe waar Jack zit wordt via een koffergrammofoon muziek gedraaid en dat maakt de reis een stuk aangenamer. Terwijl de trein door het Engelse landschap dendert passeren ze een aantal tunnels en rijden ze zelfs een stukje door Londen waarbij de Theems wordt overgestoken. Om 17.00 uur zijn ze nog steeds onderweg, maar bij het plaatsje Crewe komt de trein tot stilstand en komen een aantal meisjes naar de trein om thee uit te delen. Jack heeft ook honger gekregen en haalt bij de restauratie snel iets te eten voor twee van zijn reismakkers en zichzelf. Terwijl ze nog aan het eten zijn rijdt de trein alweer verder. Na het eten gaat Jack zich wat opfrissen, want hij voelt zich behoorlijk bezweet van al dat reizen. Zo'n wasbeurt help trouwens prima, want hij voelt zich nu al een heel stuk fitter. Om 19.30 uur bereiken ze Liverpool en daar rijdt de trein tot dicht bij de plek waar hun schip het s.s. "Alcantara" ligt. Nadat het nodige is geregeld mogen ze aan boord. Eigenlijk is het s.s. "Alcantara" een passagierschip, maar tijdens WO2 werd het omgebouwd tot troepentransportschip. Aan boord krijgen ze al meteen te horen dat er ongeveer 4000 man mee zullen varen en dat de meesten in hangmatten slapen. Ze zijn meteen benieuwd of zo'n hangmat wel bevalt, maar daar komen ze snel genoeg achter. Rond middernacht liggen alle jongens, of beter gezegd hangen alle jongens in hun hangmat. Een voordeel is wel dat ze allemaal doodmoe zijn en daardoor snel in slaap vallen. 

Het s.s. "Alcantara" heeft zojuist de kust van Engeland achter zich gelaten

Vrijdag 12 oktober 1945: Om 07.00 uur staan ze alweer naast hun bed en een half uur later gaan ze naar de eetzaal voor het ontbijt. Na hun nuttigen van hun allereerste maaltijd op dit schip worden er zwemvesten uitgedeeld die ze voorlopig om moeten houden. Het was de bedoeling dat ze om 12.00 uur zouden vertrekken, maar om 11.50 uur moest er nog zoveel gebeuren dat dit niet ging lukken. Sgt. Alois Becker schreef in zijn dagboek dat exact om 13.00 uur de trossen werden losgegooid en het machtige schip langzaam loskwam van de kade bij Pier Head, om via de Mersey Liverpool te verlaten. De omgeving is op dat moment nog steeds in dikke mist gehuld, zodat de zee bereikt wordt zonder daar ook maar iets van te zien. De grote reis is nu dus echt begonnen. De jongens turen nog altijd over de reling naar dingen die ze door de mist niet zullen zien. De scheepshoorn laat op gezette tijden van zich horen en het geloei van misthoorns op boeien is ook duidelijk waarneembaar. Vandaag hoeven ze geen dienst te doen, waardoor ze alle tijd hebben om aan hun nieuwe leefomgeving te wennen. Om 15.15 uur verlaat de loods het schip en niet zo heel veel later is er alarm. Dat is het sein dat er sloepenrol is. Hierbij moet iedereen zich in rap tempo melden bij de voor hen aangewezen sloep voor die sloepenrol en eventueel nadere informatie. Tijdens de reis komen ze er al snel achter dat zo'n sloepenrol regelmatig terugkeert, want veiligheid gaat nu eenmaal voor alles. Om 16.30 uur kunnen ze heel goed merken dat ze op open zee zijn, want dan zit de vaart er pas echt in. De mist is zo goed als verdwenen en de zee is rustig.

Drie maal daags gaan ze naar de eetzaal, het ontbijt is om 07.00 uur, het middageten om 12.00 uur en het avondeten om 17.00 uur. Helaas is de hoeveelheid eten wat ze krijgen aan de karige kant. Bij het ontbijt krijgen ze 3 sneetjes brood, 1 aardappel, 1 eetlepel bonen en dat is het, bij het middageten 2 aardappels, 2 eetlepels bonen, een stukje vlees en als je geluk hebt 2 lepels pap en wat ze vanavond voorgeschoteld krijgen dat weten ze nog niet. Het is in ieder geval wel typisch Engels voedsel. In de vier jaren van onderdrukking kregen ze zelfs meer te eten dan op dit schip. Als dat zo blijft doorgaan dan is Jack bang dat er straks alleen een broek van hem in Indië arriveert. Als de jongens op het bovendek gaan kijken waar ze varen, passeert er net een schip en op het achterdek van het s.s. "Alcantara" zijn een paar bemanningsleden aan het meten hoe snel er wordt gevaren en dat is 12 knopen. Een officier heeft tegen de jongens gezegd dat ze er waarschijnlijk 29 dagen over zullen doen om Indië te bereiken en dat zou volgens een bemanningslid die zojuist de snelheid stond te meten heel goed kunnen kloppen. Het s.s. "Alcantara" blijkt namelijk een snel schip te zijn. Jongens beweren dat er tijdens de reis drie havens worden aangedaan, dat zijn Malta, Alexandria en Suez, maar daar klopt helemaal niets van. Als ze nu snel achterom kijken dan kunnen ze nog net de lichten van het passerende schip zien verdwijnen. Jack wandelt nog wat over het bovendek en gaat ook naar de cantine om sigaretten en toffees te kopen. Daarna vertrekt hij naar het ruim om zijn hangmat in orde te maken en vraagt zich meteen af of zijn nachtrust in een hangmat ook op een varend schip zal bevallen.

Zaterdag 13 oktober 1945: Tegen alle verwachtingen in heeft Jack ook vannacht goed geslapen. Als hij wakker is gaat hij zich meteen wassen en naar het bovendek om te kijken wat voor weer het is. De zee is rustig en het is prachtig helder weer, maar wel fris. Om 10.00 uur zijn ze ter hoogte van de Franse kust en om 10.30 uur klinkt het sein voor een tweede sloepenrol. Iedereen haast zich naar het sloependek en meldt zich bij de juiste plek. Zo'n sloepenrol duurt ongeveer een uur en als die is afgelopen zijn ze alweer in afwachting van het middageten, want frisse zeelucht maakt nu eenmaal hongerig. Vanmiddag om 14.00 uur komt er een dokter op bezoek en als hij weer weg is gaan ze naar het bovendek, maar daar is weinig te zien. Het enige wat ze wel zien is water en zo af en toe een passerend schip. In de wandelgangen ving Jack op dat het s.s. “Alcantara” tijdens WO2 door de Engelsen is buitgemaakt op de Italianen. Om 16.30 uur is het nog steeds koud aan dek en de zee woelig. Uit verveling zit Jack naar de golven te staren en hoopt stiekem dat het gaat stormen, want dan komt er tenminste leven in de brouwerij. Als de jongens onderling aan het discussiëren zijn dan gaat dat meestal over het weinige eten en daar word je echt niet wijzer van. Eigenlijk is iedereen sikkeneurig en snel op zijn teentjes getrapt door dat eten. Vandaag is het avondeten om 17.30 uur en daarna gaan ze meteen naar de cantine om nog wat extra's te kopen. Terwijl ze op het bovendek aan het rondkuieren zijn passeert er net een Hollands schip. De naam van dat schip weet Jack niet, wel dat het met repatrianten aan boord vanuit Singapore onderweg is naar Holland. Om 22.00 uur is het alweer tijd om de hangmat op te zoeken.

Zondag 14 oktober 1945: Na alweer een goede nachtrust gaat Jack zich wassen en naar het bovendek om te kijken hoe de reis vordert. Momenteel varen ze ter hoogte van de Golf van Biskaje en om 08.00 uur passeren ze op ongeveer 300 meter een onderzeeër. Anderhalf uur later zien ze zowaar een potvis zwemmen, het is een knaap van wel 2½ of 3 meter. Om 10.00 uur wordt de Heilige Mis achter het sloependek opgedragen. Als ze daarna op het bovendek komen zien ze een school met bruinvissen voorbij zwemmen en dat is best indrukwekkend om te zien. Om 15.30 uur moeten ze aantreden omdat het tijd is voor de volgende prik. Terwijl ze langs de Spaanse kust varen wordt er via de intercom omgeroepen dat er een onderzeeër in aantocht is. De jongens spoeden zich meteen naar de reling en wijzen al snel naar iets dat net boven water uitsteekt. Dat moet die onderzeeër zijn, wordt er in koor geroepen. Ja hoor dat is hem, dat is zijn periscoop! Ondanks dat er van die onderzeeër zelf eigenlijk niets is te zien vinden de jongens het wel een aparte belevenis. Niet veel later zien ze een straal water boven de zeespiegel uitspuiten en meteen daarna ook een enorme staart. Dan zal dat ongetwijfeld wel weer zo’n machtig bruinvis zijn.

Na het avondeten gaan ze weer naar het bovendek om te kijken of daar iets te beleven is. Aan de horizon is een vuurtoren te zien en dat betekent dat daar de Spaanse kust is. Er zijn berichten dat het in Indië nog steeds onrustig is, dagelijks zijn daar heftige gevechten waarbij veel doden zijn te betreuren. De jongens vinden dan ook dat hun schuit zo snel mogelijk moet doorvaren, zodat ze meteen kunnen ingrijpen. Om 19.00 uur zien ze de lichten van een tegemoetkomend schip opdoemen, helaas is de afstand tussen beide schepen te groot om te kunnen zien welk schip dat is. Als de jongens op het punt staan om naar bed te gaan, komen er enkele bemanningsleden het ruim binnenlopen. Zij vertellen dat er voor vannacht een storm op komst is en daarom alles komen vastsjorren. Dat maakt de jongens nieuwsgierig, ze vragen zich meteen af wat ze daarvan moeten verwachten? Dat er een storm op komst is merken ze al direct nadat ze in hun hangmat zijn gekropen, want het schip begint al te slingeren. Nog niet zo hard dat je het een storm mag noemen, maar het is ook nog geen nacht. Wel jammer dat die storm nou net moet komen als ze willen gaan slapen. 

Maandag 15 oktober 1945: Vannacht werd er slecht geslapen, maar dat kwam niet door de storm, de oorzaak is die verrekte prik van gisterenmiddag. Vannacht om 04.00 uur zijn ze Kaap Vincent gepasseerd en niet zo heel veel later varen ze op de Golf van Cadiz. Bij het ontwaken passeerde er alweer een Holland schip, dit keer is dat het s.s. "Indrapoera" met alweer repatrianten aan boord. Nu ze wakker zijn varen ze nog altijd op de Golf van Cadiz en gaat het in de richting van de Straat van Gibraltar. De storm die voor vannacht voorspeld werd stelde eigenlijk niet zo heel veel voor, ze hebben daar nauwelijks hinder van gehad. Terwijl de jongens met het middageten bezig zijn vaart het schip om 12.10 uur de Straat van Gibraltar op. Hiermee varen ze tussen het Afrikaanse en Europese continent door. Het is een tamelijk smalle zeestraat waar schepen elkaar op korte afstand moeten passeren.

Als eerste is aan de horizon de Afrikaanse kust zichtbaar met Kaap Spartel dat even ten westen van Tanger ligt. Somber en doods oogt daar het landschap met al die kale bergen. Het is 14.45 uur als er aan bakboordzijde een enorme rots is te zien die prominent boven het water uitsteekt. Het is de alom bekende Rots van Gibraltar die deel uitmaakt van een schiereiland waar de Engelsen een belangrijke vesting hebben. In WO-2 hebben de Duitsers tevergeefs geprobeerd om deze vesting te veroveren. De Engelsen wisten in deze massale rotsblok alles goed te verbergen en in te bouwen, waardoor deze vesting een ijzersterke verdediging heeft. Ze hebben daar een kazerne, een enorme opslagplaats voor munitie en zelfs een hospitaal. Deze rots heeft aan de linker- en rechterzijde ook een enorm betonnen afwateringssysteem om drinkwater te vergaren voor het Spaanse achterland. Als het s.s. "Alcantara" ter hoogte van de vesting vaart wordt er door de Engelsen geseind en vanaf het schip meteen geantwoord. 

De kollossale Rots van Gibraltar

Op sommige momenten zijn de kust van beide continenten vanaf het schip goed zichtbaar en het is werkelijk prachtig om te zien hoe de top van een berg zomaar in de wolken kan verdwijnen. Aan de Afrikaanse zijde is de stad Ceuta te zien, vanwaar de Duitser Gibraltar met kanonnen hebben bestookt. Het weer valt momenteel tegen en de zee is best woelig, maar gelukkig heeft niemand last van zeeziekte. Nadat ze 1½ uur zijn doorgevaren is aan de Spaanse kust de stad Almeria te zien, het zal dus niet zo heel lang meer duren dat ze de Middellandse Zee bereiken. Als ze nog maar net op de Middellandse Zee varen zien ze een school met dolfijnen zwemmen, nadat deze vrolijk uitziende beestjes een rondje om het schip hebben gezwommen verdwijnen ze weer. Het is echt grappig om te zien hoe ze boven het water uitspringen om meteen weer in zee te verdwijnen. Na het avondeten gaan ze naar het bovendek in de hoop dat het weer is opgeklaard, maar dat valt dus tegen en palmbomen die ze hier langs de kust dachten te zien staan daar ook al niet. Als het inmiddels donker is staat Jack nog steeds bij de reling in het water te staren, wat daarin wel te zien is zijn een soort kwallen die dicht langs het schip zwemmen en dan lijkt het net of er vanuit het water lichtjes omhoog schijnen. Zo is er alweer een dag voorbij en wordt het tijd om te gaan slapen.

Dinsdag 16 oktober 1945: Ondanks dat de zee ook vannacht onrustig was heeft Jack toch weer goed geslapen. Wanneer hij op het bovendek komt merkt hij dat het weer prachtig is, de lucht is helder blauw, de zon schijnt volop en de zee is nu zo glad als een spiegel. Jack heeft vandaag kamerwacht en moet daarom het ruim waar ze slapen zwabberen. Om 11.00 uur wordt alles geïnspecteerd en daar is ook de kapitein van het schip bij aanwezig. Jack vindt het wel raar dat de kapitein daar bij moet zijn, maar hij is uiteindelijk wel de baas op dit schip. Na afloop van de inspectie hebben ze even tijd om een luchtje te scheppen op het bovendek en zien daar een strak blauwe zee. Het is werkelijk schitterend om de lichtbundels van de zon over het water te zien schijnen, met op de achtergrond zicht op de bergen van Afrika. Het is ook goed te merken dat ze naar het zuiden afzakken, want het wordt steeds warmer. Gelukkig zorgt een licht zeewindje voor een beetje verfrissing. Je kan nu overdag beter niet meer zo langs over de zee rondturen, want dan krijg je last van je ogen door die felle zon. Het zal nu niet zo lang meer duren dat ze ergens tussen de bergen de stad Algiers zien. Algiers is met zijn 260.000 inwoners een bijzonder mooie stad en hopelijk kunnen ze daar iets van zien terwijl ze er langs varen.

Jack heeft het geluk dat hij de verrekijker van een van zijn kameraden mag lenen, hierdoor ziet hij langs de kust heel duidelijk de witte huisjes tussen de bergen. Daarin zullen dan ongetwijfeld de Mohammedanen wonen denkt hij meteen. Met zo'n verrekijker kan je de platte en koepelvormige daken van deze huisjes ook goed zien en de spierwitte wegen die dwars door de bergen omhoog kronkelen. Ergens tussen die huizen staat een Moskee met van die spitse torens. Om 12.00 uur varen ze ter hoogte van de stad Algiers en dan heb je pas echt een prachtig panorama. Al die spierwitte huizen aan de voet van zo'n berg met daarvoor ook nog eens een schitterende baai. Algiers is een lang uitgestrekte stad die vooral langs de kust is gevestigd. Op de top van een van de bergen staat een schitterend mooie Moskee die vele malen groter is dan de moskee die Jack eerder zag. Deze heeft ook meerdere koepeldaken. Iets verder staat nog een kerk tegen een berghelling, het is een Katholieke kerk met de naam 'Onze Lieve Vrouw van Afrika' en zo'n kerk hadden de jongens hier niet verwacht. In deze stad is ook de Algerijnse regering gevestigd. Vandaag is het op de Middellandse Zee dan eindelijk zo mooi als de jongens hem eigenlijk eerder hadden verwacht. Met zo'n subtropisch klimaat, een helderblauwe zee en een prachtige kustlijn is het een waar genot om hier te varen. Vanmiddag om 13.30 uur hebben ze Maleische les en deze duurt tot 14.30 uur, daarna gaan ze weer snel naar het bovendek. Het weer is in ieder geval nog steeds prachtig en dat is natuurlijk mooi meegenomen. Al snel varen ze langs een volgende stad, deze is een stuk kleiner dan Algiers, maar ook hier is de omgeving prachtig en zover als je kan kijken zijn er bergen. Na het avondeten gaan ze nog even naar het bovendek en zien dan een immens groot schip voorbijvaren. 

De dag is nog niet eens voorbij, maar je kan nu al spreken over de mooiste dag van deze reis, een dag die zomaar in een film zou kunnen voorkomen. Nu we het toch over films hebben, vanavond gaan de jongens naar de bioscoop want daar schijnt een spannende film te draaien. Na de filmvoorstelling gaan ze ook nog even op het bovendek rondkijken. Als ze een poosje onder de sterrenhemel staan dromen ze vanzelf weg en wordt er gefantaseerd over Holland en hoe het nu thuis zou zijn. Om 22.00 uur is het tijd om naar bed te gaan.

Woensdag 17 oktober 1945: Vannacht is de scheepsklok 1 uur vooruitgezet, zodat ze met de tijd mee blijven varen. Na het ontbijt gaan ze naar het bovendek en zien ze dat het weer nog net zo mooi is als gisteren. Vannacht heeft het schip de grens van Algerije met Tunesië gepasseerd, zodat de jongens vandaag de kust van Tunesië zo af en toe zien. Dit landschap ziet er nagenoeg hetzelfde uit als van Algerije, dus ook met veel bergen. Een bemanningslid vertelde zojuist tegen Jack dat ze met dit schip de overtocht wel eens in 21 dagen hebben afgelegd en dat het hoogstwaarschijnlijk nog wel sneller kan. Dat neemt Jack meteen van hem aan, want gisteren hebben ze nog een schip ingehaald dat acht dagen eerder dan het s.s. "Alcantara" uit Liverpool was vertrokken. Om 09.30 uur passeren ze Kaap Blanc en niet zo heel veel later komt de baai van Bizerta in zicht. Bizerta is een breed uit elkaar gebouwde stad waar ook weer witte huizen tegen de bergen zijn aangebouwd. Het is een schilderachtige omgeving waaruit je heel duidelijk een Tempel met minaretten kan onderscheiden. Via zo'n tempel wordt de bevolking 5 keer per dag opgeroepen om tot God te bidden, dat doen ze liggend met de knieën op een matje en het gezicht naar Mekka gericht.

Niet veel later passeren ze Kaap Zebib en als ze daarna geruime tijd langs een kale onvruchtbare en bergachtige kust hebben gevaren, draait het schip van de kust weg in de richting van de Golf van Tunis. Aan een baai ligt de stad Tunis, een bunkerplaats voor schepen waar ze deze reis niets van te zien zullen krijgen. Bij het verlaten van de Golf van Tunis passeren ze Kaap Bon waarmee ze het meest noordoostelijke deel van Afrika hebben bereikt en aan bakboordzijde moet ergens het Italiaanse eiland Sicilië liggen. Bij Kaap Bon eindigde in 1943 de slag om Afrika in een bloedige nederlaag voor de Duitsers. Verpletterd door Engels artillerie en meedogenloze bombardementen van de R.A.F., lukte het slechts een klein deel van het eens zo zegevierde leger van Rommel om het vege lijf te redden en naar Sicilië te vluchten.

Vanmiddag is er een lezing over de godsdienst in Indië en dat is best interessant. Als ze weer op het bovendek komen zien ze een klein onbewoond eiland met daarop een enorme rots. Inmiddels varen ze weer midden op de Middellandse Zee, zodat de Afrikaanse kust voorlopig niet meer in beeld komt. Om 13.30 uur passeren ze het eiland Pantelleria aan stuurboordzijde. Onder aan de punt van dit Italiaanse eiland ligt, voor zover ze dat vanaf het schip kunnen beoordelen, een prachtige stad, maar de naam van die stad weet niemand. Maakt verder ook niet uit, ze vinden het wel een mooi stad. In tegenstelling tot de Afrikaanse landen zijn de huizen hier veel verder van elkaar gebouwd. Na een uurtje Maleise les gaan de jongens weer naar het bovendek, maar nu is er niets anders dan water te zien. De zee is zo glad als een spiegel, blauw van kleur met daar overheen een licht zilveren gloed van de Afrikaanse zon. Ze worden gewaarschuwd om niet langer dan vijf minuten in de zon te blijven, daarna kan je dat opvoeren naar 10 minuten en dan weer een poosje niet. Dat is ook wel logisch, want de zon is nu zo fel dat je zomaar kan verbranden zonder daar zelf wat van te merken.

Als je op het bovendek zomaar wat op je gemak rond zit te kijken dan zie je de meest vreemde figuren voorbij komen, de een heeft zijn kop helemaal kaal geschoren, een ander heeft juist een heel klein plukje op zijn schedel laten groeien en sommigen zien er al helemaal niet uit met hun kapsel. Wel grappig om die gasten zo te zien, maar je kan toch veel beter een normaal kapsel hebben. Volgens een Engelse zender worden er door de Engelsen geen Hollanders in Indië toegelaten. Verder wordt er verteld dat Indië de oorlog heeft verklaard aan Nederland en dat zij alle Hollanders die aan land komen zullen verdrijven of vernietigen. Onder de jongens breekt daardoor meteen een luid gejoel uit. Ze komen er nog wel achter wie daar vernietigd gaat worden, schreeuwen ze er in koor achteraan. Als de gemoederen zijn bedaard vertrekken ze weer naar het bovendek, waar om 21.00 uur de lichten van de vuurtoren op Malta te zien zijn. Een uur later is het alweer tijd om de hangmat op te zoeken.

Donderdag 18 oktober 1945: Om 06.30 is reveille zodat het tijd is om op te staan, dan gaan ze eerst naar het waslokaal, daarna ontbijten en vervolgens meteen naar het bovendek. Het weer is nog steeds prachtig, maar er is niets anders dan water wat ze zien. Ergens aan stuurboordzijde moet Libië liggen. Zover als het oog reikt zien ze de pastelachtige kleuren van de hemel, de zee is rustig maar wel met een lichte deining. Terwijl ze dit vreemde schouwspel aanschouwen voelt het alsof ze afscheid hebben genomen van het bekende en in een andere wereld zijn beland. Vanochtend hebben ze anderhalf uur Maleise les en als ze daarna naar het bovendek gaan zien ze voor het eerst in hun leven vliegende vissen. Ze lijken veel op haringen, maar dan wel met twee grote vinnen die spits toelopen, deze gebruiken ze niet alleen om te zwemmen maar ook om te vliegen. Ze schieten met gemak anderhalve meter boven het water uit, vliegen vervolgens zo'n 5 meter door de lucht en verdwijnen dan weer in het water. Het is echt amusant om daar naar te kijken.

Aan het eind van de ochtend krijgen ze te horen dat ze over een dag of twee de haven van Port Saïd zullen bereiken en dat schijnt een van de beruchtste havens van de wereld te zijn. Volgens ingewijden wemelt het daar van de dieven, zakkenrollers en inbrekers. De jongens krijgen daarom nu al orders om bij aankomst in deze haven alle patrijspoorten te sluiten en als er niemand in een hut of slaapruim is, deze goed op slot te draaien. Jack vindt dat ze op deze manier zich wel heel achterdochtig opstellen, maar het zou natuurlijk ook allemaal kunnen kloppen. Afijn, ze zullen het daar vanzelf gaan meemaken.

Na het middageten is er om 13.30 uur Maleise les en daarna zijn ze voor de rest van de dag vrij. Nadat Jack een poosje over het bovendek heeft rondgeslenterd zoekt hij een verfrissend plekje in de schaduw en valt al vrij snel in slaap. Plotseling wordt zijn middagslaapje ruw verstoord door een alarmbel en ja hoor, dat betekent dat er alweer een sloepenrol is. Iedereen moet dus inclusief zwemvest naar hun vaste stek voor deze oefening. Dit keer zijn de hoge heren na drie kwartier al tevreden over het resultaat en kunnen de jongens vertrekken. Om 17.15 zit Jack alweer met een knorrende maag te wachten tot hij naar de eetzaal kan voor het Engelse avondvoer, want eten noemt hij het liever niet. Na zijn avondmaal gaat hij voor de verandering maar weer eens naar het bovendek en terwijl hij daar wat zit weg te dromen, schiet hem ineens te binnen dat ze vandaag precies 1 maand geleden uit Mönchengladbach vertrokken. Om 17.30 uur was het dus exact een maand geleden dat ze met bepakking op truck stonden te wachten die hen naar het station moesten brengen. Toen waren ze nog benieuwd wat hen te wachten stond en nu zijn ze alweer zover van huis weg. Zo merk je dat de tijd voorbij kan vliegen. Zoals altijd gaan ze ook vanavond om 22.00 uur naar bed.

Vrijdag 19 oktober 1945: Vannacht is de scheepsklok weer een uur vooruitgezet. Als ze opgestaan merken ze al snel dat de vlag van het schip halfstok hangt. Bij navraag wordt er verteld dat een soldaat van de LSK (Luchtstrijdkrachten die met 300 man ook aan boord zijn) is overleden. Het is Soldaat Roelof Visscher die ze vandaag aan de zee moeten afstaan. Voordat de plechtige ceremonie begint worden eerst de motoren van het schip stil gelegd, zodat alleen het kabbelen van de golven te horen is. Hierna volgt er eerst een korte toespraak en vervolgens glijdt het lichaam de diepe zee in, om naar een onbekend graf te zinken. Uiteindelijk klinkt het bevel: ‘Op de plaats rust’ en hiermee is de ceremonie beëindigd. Het is natuurlijk diep treurig als je op deze manier aan je einde moet komen! Achteraf kregen ze te horen dat deze soldaat aan difteritis is overleden en dat drie van zijn maten nog steeds in het ziekenhuis liggen. Als je dat dan hoort dan mogen de jongens wel oppassen dat ze het zelf niet krijgen. Trouwens, het zou dan zomaar kunnen zijn dat een schip nergens wordt toegelaten en dan moet je natuurlijk een paar weken langer aan boord blijven. Door de manier waarop Roelof Visscher is begraven kunnen zijn naasten natuurlijk nooit afscheid van hem nemen en uiteraard ook zijn graf niet bezoeken. In ieder geval zullen alle aanwezigen van deze ceremonie hem in hun gebeden blijven herinneren. 

Het weer is nog altijd schitterend, de zee is kalm en nergens is ook maar iets van land te bekennen. De zon schijnt momenteel zo scherp dat je bijna niet over de zee kan kijken. Vanmiddag hebben ze gymnastiek en dat is met deze drukkende warmte een ware afmatting.  Aan het eind van de middag gaat de zon gelukkig ook weer onder en laat dan geruime tijd een rode gloed over het water achter. Het is al heel goed te merken dat ze over niet al te lange tijd de Kreeftskeerkring zullen bereiken en daarmee de tropen omarmen. Velen hebben hun Europese kleding inmiddels verruild voor tropenkleding en dat komt nu natuurlijk heel goed van pas. Zij die nu nog geen tropenkleding dragen worden wel gewaarschuwd dat het vanaf morgen verplicht is. Momenteel varen ze op zo'n 100 mijl van de Egyptische kust en rond 19.30 uur is de Golf El Salloum met de gelijknamige stad bereikt, hiermee varen ze ter hoogte van de grens tussen Libië met Egypte. Meer oostelijk en dieper het land in, liggen de plaatsen Rashalmina en El Amaid, die beiden bekend zijn om de gevechten door Engelse- en Australische troepen tegen het leger van Rommel. Om 20.15 uur passeren ze op grote afstand een vliegdekschip en iets later een passagierschip waarvan de naam niet bekend is. Bij het passagiersschip dat wel op korte afstand langs vaart is het grappig hoe er over en weer naar elkaar wordt geroepen en gefloten. Laat in de avond heeft het s.s. "Alcantara" op zo'n 75 mijl afstand de stad Alexandria bereikt. 

Port Said

Zaterdag 20 oktober 1945: Al om 04.30 uur wordt Jack wakker gemaakt door Harry Kuipers, die op zijn beurt zijn broer Sjeng wekt die net als Jack bij 2-13 RI zit. Ze gaan zich meteen wassen en aankleden om zo snel mogelijk naar het bovendek te kunnen. Op dat tijdstip is er normaliter nog niemand op het bovendekdek te vinden, zodat zij voor een keer het rijk voor hun drieën hebben. Het is een prachtig gezicht om bij zo'n strakke zee de zon op te zien komen en in de verte zijn ook de lichtjes van Port Saïd al zien. Om 05.30 uur komt er een bootje langszij en stapt er een loods aan boord, die vertelt dat hij zelf ook Nederlander is. Je kan merken dat er meer jongens vroeg zijn opgestaan, want het begint al behoorlijk druk te worden aan dek. 

Nog voordat ze de haven binnenvaren zien ze 2 scheepswrakken liggen, waarvan alleen de schoorsteen boven water uitsteekt. Al snel daarna stomen ze het havengebied van Port Saïd binnen. Het valt al meteen op dat zij niet de enige zijn die deze haven aandoen, want het ligt hier vol met schepen, ze zijn er in allerlei soorten en maten, dus ook van die grote oceaanstomers net als dit schip. Op ongeveer 35 meter van de kade worden de trossen van het s.s. "Alcantara" losgegooid en dat is natuurlijk een prima plek, want vanaf deze afstand kan je heel goed zien wat er op de kade gebeurt. Je ziet daar de meest prachtige witte en crèmekleurige gebouwen staan met ook weer van die koepelvormige daken.

Het paleisachtige gebouw van de Suezkanaal Maatschappij met van die sierlijke koepelvormige daken

Wat meteen opvalt is de bijzondere klederdracht die ze hier dragen, mannen en vrouwen lijken hetzelfde te dragen, het enige verschil is dat de vrouwen een sluier om hun hoofd dragen en de mannen een tulband of zo’n kalotje op het hoofd hebben. Hun kleding doet bij ons westerlingen al meteen aan nachthemden denken. Waar je ook kijkt overal staan palmbomen en dat maakt het panorama alleen maar mooier. Met een brede grijns op het gelaat roepen de Arabieren onze jongens van alles toe, maar daar is natuurlijk helemaal niets van te verstaan. Het s.s. "Alcantara" wordt al snel omringd door tientallen bootjes met kooplieden, die met gebarentaal hun goederen aanprijzen. Langs de kades liggen lange rijen met vissersbootjes, die met hun bonte kleuren mooi in het groene water weerspiegelen. Sprietig steken hun lange schuine gaffels in de lucht, terwijl sommigen het typische zeil net hebben ontplooid om richting zee te varen.

 

Ontspannen staat Alois Becker bij de reling met zicht op het befaamde warenhuis Simon Arzt

In de veelal crème gekleurde gebouwen zijn hotels, bekende handelskantoren en woonhuizen gehuisvest en dit alles wordt omgeven door een oase van zacht wuivende palmbomen. Vanaf het s.s. "Alcantara" nemen de jongens het levendige schouwspel dat zich op de kades afspeelt goed in zich op, want dit is hun eerste ervaring met het Midden-Oosten. Aan de andere zijde van het schip ligt een bedrijvig havengebied, vanwaar diverse rooksluiers de lucht intrekken. Op het water is het vooral een gewriemel van voorbijvarende kleine bootjes waartussen zo af en toe ook een zwaar dampende veerboot vaart. Even doet dit aan onze vertrouwde Hollandse havensferen denken. 

 

Het vliegdekschip H.M.S. "Victorious" vaart als symbool van de Engelse zeemacht de haven van Port Saïd door

Terwijl de jongens zich vergapen aan alles wat hier te zien is, vaart het Engelse moederschip H.M.S. "Victorious" als symbool van de Engelse zeestrijdkrachten aan het Midden-Oosten voorbij, met op het brede dek een groot aantal vliegtuigen. Er is post van het thuisfront aan boord gekomen en de klok is een uur vooruitgezet. Om 10.00 uur beginnen de schroeven van het schip weer te draaien, zodat ze aan de doorvaart van het Suezkanaal kunnen beginnen. Wel jammer dat ze nu Port Saïd al verlaten, want er is daar nog zoveel te zien. 

Het standbeeld van Ferdinand de Lesseps staat aan de rand van Port Saïd in de richting van het Suezkanaal

Nog voordat het s.s. "Alcantara" los komt van de boeien varen het m.s. "Ruys" en s.s. "Johan de Witt" langs, dit zijn bekende Nederlandse schepen die met repatrianten aan boord vanuit Java onderweg zijn naar Holland. Ook dit keer wordt er over en weer geroepen, gejuicht en uitbundig gezwaaid. Op zo'n moment merk je pas goed wat het betekent om landgenoten in den vreemde tegen te komen. De jongens voelen zich best trots dat ze Hollandse schepen overal ter wereld kunnen tegenkomen. Terwijl het s.s. "Alcantara" langzaam de haven uitvaart kijken de jongens nog een keer naar de bedrijven en woonhuizen die aan hen voorbijkomen. Tussen alle gebouwen door domineert een witte vuurtoren, dat ooit het baken was voor de schepen die hier langs voeren.

Ontstaan van het Suezkanaal

Het Suezkanaal werd gebouwd onder leiding van de Franse ingenieur Ferdinand de Lesseps, wiens standbeeld bij de haveningang van Port Saïd staat. Het is echter wel pijnlijk om te weten dat bij dit majestueuze bouwwerk 120.000 arbeiders het leven hebben gelaten. Het idee om het kanaal te graven stamt al uit de tijd van 600 jaar voor Christus, maar was toen gepland tussen de Golf van Suez en de Nijl. Uiteindelijk werd het plan voor het Suezkanaal zoals we het nu kennen onder Napoleon ontworpen; dus met een verbinding tussen de Middellandse- en de Golf van Suez. 

Uiteindelijk was het Ferdinand de Lesseps, die ook diplomaat bij de Kalief van Egypte was, die toestemming kreeg om het kanaal te bouwen. In 1856 werd de Suezkanaal Maatschappij opgericht en de eerste spade werd op 25 april 1859 bij Port Saïd in de grond gestoken. Na 10 jaren van bijna onoverkomelijke moeilijkheden werd het kanaal geopend en namen in totaal 1,5 miljoen arbeiders deel aan de bouw. De bruto registerton dat in 1870 het kanaal passeerde bedroeg 600.000 ton en in 1939 was dat al 60 keer zoveel. De lengte van het Suezkanaal is 163 km. en de opbrengst aan tol bedroeg in die tijd 8 miljoen Egyptische ponden. De tijdsduur van een doorvaart was in 1886 nog 36 uur en in 1945 is dat nog maar 12 uur.

Passage van het Suezkanaal

Als je het idee hebt dat de passage van het Suezkanaal een saaie bedoening is dan kom je er al snel achter dat dit niet het geval is. Er is beslist voldoende te zien aan de oevers, veel meer dan die enorme zandvlakte waarover ze het altijd hebben. Als je het kanaal opvaart dan ligt aan de westelijke oever al meteen het meer El Manzala. Dit meer is vanaf het schip helaas niet zichtbaar, maar is vanwege de aparte aanleg en al het natuurschoon wel de moeite van een vermelding waard. Aan de oostelijke oever ligt die veel besproken Sinaï woestijn met zijn enorme zandvlakte die tot aan de horizon rijkt. Langs het overgrote deel van het kanaal loopt een autoweg en spoorbaan en er worden meerdere controlestations gepasseerd vanwaar het scheepvaartverkeer wordt geregeld. Er zijn enkele nederzettingen die dicht langs de oever liggen, het lijken net dorpjes en zijn opgetrokken uit lange rijen met huisjes die er op het eerste gezicht wat vervuild uitzien, met daartussen van die typisch Egyptische waterputten. Ook zie je barakkenkampen waarin de Engelsen zijn gelegerd. Om 15.00 uur wordt ten noorden van de stad Ismaïlia de spoorbrug El Ferdan gepasseerd. Deze enorme spoorbrug werd in 1942 gebouwd onder leiding van de Engelsen en maakt deel uit van een traject dat van Caïro naar Palestina loopt. De El Ferdan spoorbrug werd in 1947 door een passerend schip geramd en dusdanig beschadigt dat slopen de enige optie was. De Egyptenaren hebben vervolgens zelf een nieuwe spoorbrug gebouwd, maar die werd pas in 1952 in gebruik genomen.

De spoorbrug El Ferdan ligt ten noorden van de stad Ismaīlia

Ruim drie kwartier nadat ze de El Ferdan spoorbrug gepasseerd zijn komt de stad Ismaïlia in zicht dat aan het Timsahmeer ligt. Dit meer wordt omgeven door een krans van begroeiing en is voorzien van een zwembad en luxe jachthaven. In de haven liggen twee enorme Engelse jachten, met rechts daarvan zicht op de stad Ismaïlia dat fier boven alle palmbomen uitsteekt. Omdat het Suezkanaal voor grote schepen als het s.s. "Alcantara" nogal smal is moeten ze op dit meer wachten totdat enkele schepen uit de tegenovergestelde richting voorbij zijn gevaren. Terwijl over de dekken grammofoonmuziek klinkt, kijken de jongens met bewondering naar de prachtige omgeving. Ook hier op het meer komen kooplieden aangeroeid in hun ranke bootjes en zijn er ‘dubbeltjesduikers’ te zien. Kennelijk wordt de aanwezigheid van deze lieden dit keer niet op prijs gesteld, want zij worden met behulp van dikke waterstralen door de scheepspolitie op afstand gehouden. In de nabijheid van Ismaïlia ligt een groot Brits militair kamp, waar troepen zijn gelegerd die ingezet worden voor de strijd in het Midden-Oosten.

Een controlepost bestemd voor het scheepvaartverkeer

Als ze het Timsahmeer verlaten ligt rechts op de voorgrond een vruchtbaar uitziende vlakte, waarover de inmiddels dalende zon een mysterieuze lichtbundel werpt. Als ze iets verder over het kanaal varen passeren ze een gedenknaald, dat is het monument ter nagedachtenis aan de Australische en Nieuw-Zeelandse militairen die tijdens de eerste wereldoorlog in het Midden-Oosten zijn gesneuveld. Iets verder langs het kanaal zien ze een overzetpontje waar een kudde kamelen in afwachting is om overgezet te worden.

Een gedenknaald ter nagedachtenis aan de slachtoffers van WO-1

De oevers langs dit deel van het kanaal liggen duidelijk hoger dan tot nu toe het geval was, maar het schouwspel wordt er niet minder boeiend door. Op dit deel komen ze een vervallen moskee tegen met daarvoor een kudde rustende kamelen die prachtig afsteekt tegen de paarsblauwe heuvelrug. Als de schemering zijn intrede doet steekt de maan al snel af tegen een violetkleurige hemel terwijl ze haar lichtbundels over de eindeloze zandvlakte laat schijnen. Als dan ook nog eens ontelbare sterren zichtbaar worden, beleven de jongens deze avond alsof zij in een betoverd land terecht zijn gekomen. In het donker komen ze aan bij het Grote Bittermeer waar schepen ook vaak moeten wachten wanneer er tegenliggers in aantocht zijn. Langs de oevers van het meer zie je honderden lichtjes branden. In de oorlog was bij dit meer een groot R.A.F.-kamp gevestigd, waar Engelse bommenwerpers opstegen om de Duitsers te bestoken.

Er zijn diverse Engelse nederzettingen langs het kanaal te vinden

Aan de rechteroever zijn heuvels te onderscheiden en aan beide zijden van het meer liggen Engelse en Franse oorlogsbodems voor anker. Over de luidsprekers komt de mededeling dat het s.s. "Johan van Oldenbarnevelt" over niet al te lange tijd zal passeren, zodat iedereen zich naar de dekken spoedt. Daar glijdt dan een van Nederlands machtigste schepen met al haar lichtjes aan hen voorbij. Dit schip is vooral bekend vanwege de vele verrichtingen in de afgelopen oorlog. Van het Grote Bittermeer komen ze op het Kleine Bittermeer en vanaf hier wordt het s.s. "Alcantara" door de loods dhr. F.W. Hagendoorn, die een rasechte Amsterdammer is, weer richting het Suezkanaal gemaneuvreerd. Vanaf de boeg schijnt een enorme lichtbundel over het Suezkanaal, zodat het schip veilig tussen de rode en groene bakens door de vaargeul kan volgen. Rond 22.30 uur komen ze dan uiteindelijk bij de stad Suez aan.

 

De stad Suez

Zondag 21 oktober 1945: Het is zondagochtend en met het bereiken van de stad Suez is de doorvaart van het Suezkanaal tot een einde gekomen. Aan de rand van de stad gaat het schip voor anker en al snel komen aan weerszijden van het schip enkele boten liggen om het s.s. "Alcantara" te voorzien van 3000 ton stookolie, drinkwater en de nodige levensmiddelen. Het is een stemmige ochtend en van het E-dek klinken de melodieën van kerkelijk gezang. De stad steekt prachtig af tegen een decor van de woestijn met aan de westzijde het alles dominerende gebergte van Ataka. Ook hier zijn weer vrolijk kleurende bootjes met handelaren rond het schip verzameld om hun koopwaar aan te bieden.

Ook bij de stad Suez zijn de bootjes met handelaren in grote getalen aanwezig

Met een donkerbruin gelaat en een rode fez of gekleurd keppeltje op het hoofd maken de kooplui van dit gebeuren een onvergetelijk spektakel. Over en weer wordt er druk onderhandeld en vele keren gaan de mandjes met sandalen, lederen tassen, koffers en sigarettenkokers richting de dekken, zodat de jongens de goederen eerst kunnen beoordelen op kwaliteit en waarde. Dat zal de doorslag geven of er wel of niet wordt gekocht. Hierna gaan de mandjes met of zonder geld weer terug naar de handelaren. In Port Saïd werden de mandjes met touwen omhoog gehesen, hier doen ze dat met hele lange stokken en op deze manier gaat dat veel sneller. Kort na 17.00 uur wordt het anker gelicht en vaart het schip de Golf van Suez op. De zee is langzaam donkerder aan het kleuren en aan bakboordzijde begint het licht van de opkomende maan al over het water te glinsteren.

Golf van Suez - Rode Zee

Maandag 22 en dinsdag 23 oktober 1945: In de nacht van 21 op 22 oktober passeren ze de Berg Sinaï die 2255 meter hoog is. Met name de Christenen denken daarbij onwillekeurig terug aan de geschiedenis uit de Bijbel, hoe Mozes en het verbannen Joodse volk 40 jaar rondzwierf door de woestijn. Als de Rode Zee bereikt wordt, zorgt de snikhete zon al meteen voor een onaangename benauwde lucht, vooral in de ruimen is dat heel goed te merken. Er wordt dan ook zoveel mogelijk verkoeling gezocht in de schaduw en de waterkraan en douches worden veelvuldig gebruikt. Als bescherming tegen de zon worden tropenzeilen over het bovendek gespannen en ’s nachts slapen de jongens zoveel mogelijk in de openlucht om toch nog een klein beetje verkoeling te hebben. Overdag schijnt de brandende zon met volle kracht op hen neer en aan de strak blauwe hemel is geen wolkje te bekennen, alleen de avonden en nachten brengen wat verkoeling. Op deze wijze glijdt het Midden-Oosten langzaam aan hen voorbij. Egypte, Libië en Eritrea doet hun herinneren aan hetgeen ze erover hebben gelezen. Zo weten ze dat 60 mijl landinwaarts de Nijl stroomt en dat daar de ruïne van Luxor is, de eens zo prachtige tempel van Egypte. Op de linkeroever moet ergens de heilige stad Mekka liggen, waar Moslims sinds eeuwen heentrekken om Allah te eren. Zo fantaseren de jongens als maar verder, terwijl ze bij de reling richting het vaste land turen.

In de nacht van 22 op 23 oktober passeren ze de Kreeftskeerkring. Nu zijn ze dus pas echt in de tropen beland en dat merken ze maar al te goed. Min of meer overvallen door loomheid wordt er steeds meer water gedronken en menig druppeltje zweet valt. Een aangename afwisseling op de eentonigheid zijn de dolfijnen die je hier voorbij ziet zwemmen, met enige regelmaat duiken ze vanuit de golven hoog door de lucht om met een sierlijke duik weer in het water te verdwijnen. Ook scholen met vliegende vissen zie je hier om de haverklap over het water scheren. En zo eindigt een saai verlopen dag dan toch nog met het nodige vertier dankzij deze dieren. In het maanlicht doemt aan bakboordzijde nog heel even een silhouet van de Farasan eilanden op, maar die verdwijnen ook weer snel uit zicht.

Woensdag 24 oktober 1945: Vanochtend zijn na het ontwaken zowel links als rechts van het schip de kust goed zichtbaar. Om 08.00 uur varen ze langs het Arabische stadje Mokka, een stadje dat met zijn witte gebouwen prachtig afsteekt tegen een kale achtergrond van grillige bergkammen. De Rode Zee wordt hier beduidend smaller en al snel varen ze dicht langs de kust van het onder Engels bewind zijnde eiland Perim. Dit laaggelegen eiland heeft slechts enkele gebouwen, waaronder een vuurtoren en een kuststation voor de scheepvaart en aan de zuidkant zijn koraalriffen waarneembaar. De Engelsen hebben hier een marinebasis, maar daar is vanaf het schip niets van te zien.

Het eiland Perim waar de Engelsen in die tijd een belangrijke marinebasis hadden

Als ze de Rode Zee verlaten varen ze via de Straat Bab El Mandeb (Straat der Tranen) de Golf van Aden op. De afstand tussen de stad Suez en het eiland Perim is 2236 mijl en deze afstand werd met dit schip in 65 uur afgelegd. Bij Frans Somaliland, met een kust vol vreemd gevormde berghellingen, vaart het schip langzaam van de kust weg en vanmiddag zal de Arabische kust in zijn geheel uit zicht zijn verdwenen. De bunkerplaats Aden wordt tijdens deze reis niet aangedaan zodat ze meteen doorvaren in de richting van de Indische Oceaan.

De bunkerplaats Aden zal tijdens deze reis niet worden aangedaan

Indische Oceaan

Donderdag 25 oktober 1945: Als ze met de vuurtoren van Kaap Quardafui als allerlaatste herkenningspunt de Afrikaanse kust verlaten, zal het niet lang meer duren dat ze de Indische Oceaan bereiken. Het ene moment varen ze nog tussen Europa en Afrika door en nu ligt Azië alweer voor hen. Als het laatste stukje land nog maar net uit zicht is verdwenen wordt de oceaan onrustiger, dus dat begint al meteen goed. De kennismaking met de Indische Oceaan zal er een worden om nooit te vergeten en dat begint al met deze avond als zowel de oceaan als de hemel één groot spektakel van wisselende kleureffecten worden. 

Doordat er de komende dagen niets anders dan water en lucht is te zien zal de kans groot zijn dat de verveling toeslaat. Het R.A.O. heeft daar rekening mee gehouden zodat er voor de nodige ontspanning is gezorgd. Jongens die interesse hebben kunnen zich opgeven om met spelletjes en sportwedstrijden mee te doen en er worden zang- en cabaretavonden georganiseerd. 

Na enkele dagen varen duikt aan bakboordzijde het eiland Minicoi op. Dit eiland ligt op 200 mijl ten zuidwesten van Brits-Indië, steekt maar iets boven de waterspiegel uit en is omringd door koraalriffen. Het heeft een mooi vlak strand en er is een witte vuurtoren die hoog boven de bebossing uitsteekt. Het gelijknamige plaatsje Minicoi heeft 3000 inwoners (inclusief een kolonie voor melaatsen). Melaatsheid is een veel voorkomende ziekte en als zo'n patiënt naar de stad wil, dan moet hij als herkenning een bel om zijn nek dragen. 

Op het bovendek in de buurt van Ceylon (Alois Becker)

Maandag 29 oktober 1945: Het tropische weerbeeld waaraan ze de laatste tijd zo gewend zijn wordt vandaag ruw verstoord door een donkergrauwe wolkenmassa die hoog boven de oceaan voortraast en het water is zo onstuimig dat de golven witschuimende koppen achterlaat. Het volgende eiland waar ze langsvaren is Ceylon. Dat is een prachtig eiland waarvan ze hoge verwachtingen hebben, maar vanwege de zware onweersbuien is het eiland in een diep grauwe sluier gehuld. Het is een behoorlijk groot eiland en heeft zelfs meer oppervlakte dan ons land. Rond 12.00 uur varen ze ter hoogte van Galle, de op twee na belangrijkste havenplaats van Ceylon. Enigszins teleurgesteld varen ze nog steeds in een dikke nevel dat zowel over het schip als de kust hangt. Na enige uren trekt de nevel weg en kunnen ze het eiland toch nog goed aanschouwen. Donkere bergen rijzen hier tot in de wolken en het groene heuvelgebied loopt door tot aan het strand. Een gele zandstrook slingert zich een weg langs de kustlijn, met hier en daar wat grote rotsblokken. Als het s.s. "Alcantara" langs de kustplaats Matara vaart is het meest zuidelijke deel van dit eiland bereikt. Als het donker wordt verdwijnen de contouren van de bergen langzaam uit zicht.

Ceylon

Dinsdag 30 oktober 1945: In de vroege ochtend komen ze aan bij de haven van Trincomalee. Deze door de natuur ontstane haven ligt aan de oostkust van Ceylon, waar alweer een belangrijke marinebasis van de Engelsen is gestationeerd. Als het s.s. "Alcantara" voor anker gaat komen er al snel boten langszij het schip. Het wordt een dag zoals ze die bij Suez hadden, want ook hier wordt stookolie, drinkwater en levensmiddelen binnengehaald. Het decor van deze omgeving is echter anders, hier zie je geen woestijnvlakte en er zijn ook geen kale berghellingen te bekennen. Nee, hier ziet de omgeving er een stuk vruchtbaarder uit, de kust wordt omringt door heuvels begroeid met de meest prachtige tropische bomen en is gelegen aan een schitterend mooie baai waarvan het water net zo stil en glad is als in een vijver. Na het constante gestamp van de scheepsmotoren genieten de jongens hier van een serene rust. Zover als ze kunnen kijken is de stad omgeven met hoge kokospalmen. De gehele omgeving doet de jongens wel wat, er zijn zowel Westerse als Oosterse taferelen te zien. Donkergekleurde jongens met opvallende spierwitte tanden varen in hun ranke bootjes rond het schip en grijpen gretig naar toegeworpen sigaretten. 

  

Lekker luierend in de zon op het bovendek (Jack van Voorden)

Vrijdag 2 november 1945: Drie dagen lang hebben ze in deze prachtige baai doorgebracht waarin ook de grootste rivier van Ceylon de Mahaweli Ganga uitmondt, maar vanochtend vertrekken ze dan toch weer. Deze plek zal nog lang in de herinnering van de jongens bewaard blijven, zoals de vele honderden lichtjes die in het donker over het water schitteren van zowel marine- als koopvaardijschepen. Terwijl over de dekken Hawaïmuziek klinkt vermaken de jongens zich vooral door sigaretten, muntjes en zelfs zakmessen over de reling te gooien naar de lokale jeugd die in bootjes rond het schip dobberen. Afijn, aan alles komt een einde en het s.s. "Alcantara" heeft alweer koers gezet richting Port-Swettenham (Malakka). Dat ze naar Malakka onderweg zijn komt omdat de Engelsen in Indië orde en rust moeten handhaven en daarom geen Nederlandse militairen willen toelaten.

Zondag 4 november 1945: Vannacht hebben ze de Indische Oceaan verlaten en zijn ze ter hoogte van het eiland Sabang de Straat van Malakka opgevaren. Vanochtend is aan de horizon heel even de top van de Goudberg op Noordoost Sumatra in zicht geweest. Duizenden zeemijlen hebben ze inmiddels afgelegd en nu met Sumatra aan hun rechterzijde hebben ze dan eindelijk Indië bereikt. Ondanks de lange worsteling voor een vrij Nederland verlangen ze er toch ook naar om deze verre kolonie zo snel mogelijk een helpende hand te bieden. 

Varend over de Straat van Malakka

Malakka

Maandag 5 november 1945: Gisteravond is het s.s. "Alcantara" bij Port-Swettenham voor anker gegaan. Bij deze haven krijgen ze een geheel ander beeld voor ogen dan bij Trincomalee het geval was. Hier is bijvoorbeeld geen bedrijvigheid van oorlogs- en koopvaardijschepen waar te nemen en de eentonigheid die hier heerst wordt alleen verbroken door kooplui in hun bescheiden bootjes, die hoofdzakelijk handeldrijven in pisangs, ananassen, klappers en Malakka sigaren. De jongens van 2-13 RI gaan hier van boord om met landingsvaartuigen via de Klang-rivier het vaste land van Malakka te bereiken. De achterblijvers krijgen niet veel later te horen dat ook zij hier van boord zullen gaan. Meteen heerst er grote bedrijvigheid op alle dekken en als iedereen dan eindelijk zijn spulletjes bij elkaar heeft geraapt en klaar is om te debarkeren krijgen ze te horen dat het toch niet doorgaat. Dus zullen ze moeten wachten tot er nadere orders komen. Wel krijgen ze te horen dat ook de jongens van 2-13 RI terug moeten keren naar het schip.

Woensdag 7 november 1945: Na twee dagen van onzekerheid verblijven ze nog steeds aan boord van het s.s. "Alcantara" en de grote vraag is waar ze naar toe zullen gaan. Opeens wordt via de scheepsradio een extra en belangrijk bericht aangekondigd. Iedereen spoedt zich naar de dichtstbijzijnde luidspreker en een doodse stilte volgt. Niet veel later schalt er een stem over de dekken: We gaan toch naar Batavia! Meteen heerst er grote vreugde onder de jongens, want dat is natuurlijk de plek waar ze het allerliefst heen willen. Om 15.30 uur worden de ankers gelicht en begint het laatste deel van hun reis. Morgen zullen ze dan eerst Singapore passeren en vermoedelijk a.s. zaterdag ergens in de ochtend de haven van Tandjong Priok bereiken?

Donderdag 8 november 1945: Als ze vanochtend ontwaken merken ze aan de drukte op het water dat ze de stad Singapore zijn genaderd. Om 08.00 uur varen ze op de Straat Singapore en om 09.00 uur zien ze aan bakboordzijde het eiland Saint John, met daarachter de sleutelstad van het Verre-Oosten, Singapore. Vermoedelijk zullen ze vanavond rond 19.30 uur de Evenaar passeren, maar om 16.30 uur wordt er alweer een extra mededeling aangekondigd. Ze krijgen te horen dat de reis naar Batavia toch voorlopig niet door kan gaan en dat ze genoodzaakt zijn om terug te varen naar Singapore. Je begrijpt dan meteen dat dit voor alle jongens een enorme domper moet zijn. Hoe lang blijven ze nog met deze jongens sollen en hebben ze dan nog niet lang genoeg op dit schip gezeten? Afijn, ook deze teleurstelling zullen ze dragen als een vent.

Jack (tweede van rechts) met enkele van zijn kameraden aan de reling

Vrijdag 9 november1945: Vandaag varen ze dus voor de tweede keer de Straat van Singapore op, maar nu gaat het schip gaat ter hoogte van de stad wel voor anker. Hier gaan de jongens van de LSK, die vier weken lang lief en leed met hen hebben gedeeld, van boord en ook hier worden ze met behulp van landingsvaartuigen aan land gezet. Waar de rest van boord gaat is nog niet bekend.

Zaterdag 10 november 1945: Het s.s. "Alcantara" heeft Singapore alweer achter zich gelaten en vaart nu in noordelijke richting naar Port-Swettenham, waar het schip om 20.00 uur in de baai voor anker gaat. Er komen vanavond nog geen orders om de spullen bij elkaar te rapen, dus zullen ze nog wel een nachtje aan boord blijven.

Serdang

Zondag 11 november 1945: Om 10.00 uur wordt bekend gemaakt dat de jongens van 2-13 RI vandaag bij Port Dickson van boord gaan. Ook 1 RS en 7 (III) RS gaan bij Port Dickson van boord. Aan de reis met het s.s. "Alcantara" komt voor deze mannen dus definitief een einde! Om 16.00 uur hebben de mannen 2-13 RI hun spullen bij elkaar geraapt en na hun laatste avondmaal op dit schip stappen ze om 19.00 uur over op landingsvaartuigen en varen zij voor de tweede keer in korte tijd over de Klang-rivier naar het vaste land van Malakka. De trein die hen naar een verblijfplaats in Serdang brengt staat dan al te wachten, ze hoeven alleen nog maar in te stappen.

Mannen van 2-13 RI met enkele leden van de lokale bevolking (Serdang)

Na een kort oponthoud te Kuala Lumpur arriveren ze in de holst van de nacht om 03.00 uur bij de School of Agrycultures of Malaya gelegen in het plaatsje Serdang. Uiteindelijk zullen ze bijna vier maanden in Serdang moeten verblijven voordat dat ze op Java worden toegelaten.

  

Links Sgt. Alois Beckers en rechts Sld. Jack van Voorden tijdens hun verblijf te Serdang

Begin maart 1946 krijgen ze toestemming om op Java aan land te gaan, zodat 2-13 RI met het s.s. "Valentijn" van de KPM naar Indië vertrekt. Niet bij Batavia maar op de rede van Semarang gaat 2-13 RI  op 9 maart '46 van boord en worden ze met landingsvaartuigen aan land gezet. Op Java worden ze ingedeeld bij de T-Brigade en zullen ze op zowel Midden- als West-Java tot begin '48 actief blijven. Op 26 februari ‘48 vertrekken ze met het s.s. "Tabinta" via Tandjong Priok naar Holland waar ze op 25 maart in de Amsterdamse haven debarkeren.

Het Neptunusfeest wordt gevierd tijdens hun reis met het s.s. "Valentijn" naar Semarang (Alois Becker) 

Aan de kade te Semarang (Jack van Voorden)

Slotwoord:

Dit verslag is samengesteld uit de dagboeken van zowel Sgt. Alois L. Beckers als Sld. Jack van Voorden, die zich als OVW'er hadden aangemeld en bij 2-13 R.I. werden ingedeeld. Ze reisden via Mönchengladbach, Oostende, Aldershot en Serdang (Malakka) om uiteindelijk op Java op diverse plekken ingezet te kunnen worden in de strijd tegen de republikeinen. 

Sergeant-Majoor Alois L. Becker heeft na 24 dienstjaren in 1969 zijn betrekking bij de Koninklijke Luchtmacht afgesloten en is drager van diverse onderscheidingen, zoals het Ereteken voor Orde en Vrede en het Nieuw-Guinea Herinneringskruis.

OVW'er Alois L. Beckers te Kuala Lumpur (3 dec. '45)

Enkele van zijn onderscheidingen voor Orde en Vrede en het Nieuw-Guinea Herinneringskruis

De uitreis van het 2e Hup'Va naar Nederlandsch-Indië 

 

   

Het m.s. "Tegelberg"

Reisverslag van Tom Alders die als dienstplichtig militair in 1946 met het m.s. "Tegelberg" voor drie jaar naar Nederlandsch-Indië vertrok.

Begin mei 1946 moest ik opkomen voor de militairendienstplicht en werd ingedeeld bij de 2e Hup' VA Mijn opleiding kreeg ik in de Johan Willem Frisokazerne te Assen en zou 6 maanden in beslag nemen, met inbegrip van praktijkervaring door stage te lopen in het Militair-Hospitaal aldaar.

Het Militair Hospitaal in Assen

Aansluitend hierop vertrokken wij naar Ned. Indië om, zoals later zou blijken, voor drie jaar dienst te gaan doen. Dat hield in dat we niet alleen de medische hulp in het hospitaal verzorgde, maar ook die te velde. Verder werd ook regelmatig eerste hulp verleend aan de Indische burgers, die daar dan ook dankbaar gebruik van maakte.

De grote reis kan beginnen

Donderdag 3 okt. ‘46. Vandaag is de grote dag aangebroken en om 07.45 uur verlaten we de kazernepoort richting het NS-station. Daar aangekomen ontving iedere militair 10 sigaretten, een reep chocolade en een peer voor onderweg. Rond de klok van 9 uur vertrok de trein; met zes man zaten we in een ouderwetse coupé en na een langdurige reis arriveerden we op het haventerrein in Amsterdam. Hier aangekomen werden we naar een loods gedirigeerd waar we een bakje koffie en een spritskoek en voor we aan boord gingen ook nog een pakje Camel-sigaretten kregen.

    

De inscheping is in volle gang en als iedereen aan boord is kan de valreep weg

Eenmaal aan boord moesten we, kreunend onder onze zware plunjezak, diverse trappen af om in een van de ruimen onder in het schip terecht te komen. Hier stonden lange tafels, waarboven de hangmatten, onze slaapplaatsen voor de komende 26 dagen, moesten worden opgehangen. De warme hap die ons werd aangeboden lieten we onaangeroerd, om vooral niets te missen van de afvaart. Aan boord reizen mee 2e Hup' Va, 3e Garde Reg. Grenadiers, Verbinding Afdeling, Staf 2e Infanterie Brigade, 6 RVA en wat KNIL-militairen.

Om 16.30 uur werden de trossen losgemaakt en begonnen we aan 'DE REIS VAN ONS LEVEN'. In het Noordzeekanaal kregen we meteen al te maken met een sloepenrol en om 19.45 uur voeren we de sluizen van IJmuiden uit. Tegen 10 uur die avond worstelden we ons voor het eerst in de hangmat.

   

Onder grote belangstelling begint het m.s. "Tegelberg" aan de reis

  

Bootjes met familie en enkele hoge officieren van 3-9 RI begeleiden de "Tegelberg" over het IJ 

Bij het verlaten van IJmuiden

Vrijdag 4 okt. ’46.  Na de eerste nacht op zee werden we ’s ochtends verrast met een Engels ontbijt: gortepap, witbrood, roomboter, jam, thee en een zalmbokking? Na het verlaten van Het Kanaal voelden we de deining van de oceaan; het was kleumen aan dek, een kantine was er niet en drinkwater was er alleen tussen 6 en 8 uur.

Zaterdag 5 okt. ’46. We voeren in de Golf van Biskaje en de eerste zeezieken lagen inmiddels aan dek. Tussen 8.00 en 11.00 uur mochten we niet in de ruimen en ’s middags tussen 14.00 en 16.00 uur moest het rustig zijn. Verder kregen we die dag een pakje Marvels-sigaretten en een stukje zeep om de handen te wassen.

Tijdens de reis werden we regelmatig getraind in de sloepenrol

Zondag 6 okt. ’46. Onze route voerde ons langs de kust van Portugal; we kregen vandaag een kop chocolademelk; we kwamen er al vrij snel achter dat de Brits-Indiërs, die in de keuken werkten, het niet zo nauw namen met de hygiëne; ze krabden zich regelmatig op het hoofd en veegden hun vuile handen af aan hun smerige kleding, enz.

De het passeren van de Portugese kust komt regelmatig land in zicht

Maandag 7 okt. ’46. We passeerden vandaag Gibraltar; er is nagenoeg geen deining meer op de blauwe Middellandse Zee. Overdag is het warm en ’s avonds koel en in de ruimen was het tamelijk benauwd.

Veel bekijks bij het passeren van Gibraltar

Dinsdag 8 okt. ’46. Omstreeks 11.00 uur voeren we langs de kust van Algiers met een snelheid van ongeveer 30 km per uur; vandaag mochten we voor het eerst ons tropenuniform aan.

Woensdag 9 okt. ’46. Om 06.45 uur passeerden we het eiland Bizerta en om 8 uur de stad Tunis; om 11.00 passeerden we Kaap Bon en omstreeks 12.30 uur een Italiaans fort op het eiland Pantelleria dat onder Sicilië ligt.

Op het dek met de hofmeester van het m.s. "Tegelberg"

Donderdag 10 en vrijdag 11 okt. ’46.  Deze dagen zijn niet echt noemenswaardig, wel hebben we beide dagen de klok een half uur vooruit moeten zetten.

De Shell is ook hier in de haven van Port Saïd actief

Zaterdag 12 okt. ’46. Port Saïd werd bereikt; we lagen nog maar net aan de boeien of kooplieden in hun kleine bootjes, afgeladen met lederwaren van koffers tot horlogebandjes, evenals dadels, sinaasappels, druiven, enz. waren er ook al. Een aantal van hen waren zelfs ook al aan boord geklommen.

  

Handelaren zwermen met hun bootjes vol koopwaar rondom het hele schip

Ook een goochelaar was aan boord met 'Kippetje hier, kippetje daar en nu is kippetje weg'. De verveling sloeg al snel toe, de jongens wierpen zelfs overgebleven zalmbokkingen naar de kooplui in hun bootjes, waarop een aantal van hun messen naar boven vlogen. Egyptische politie in zwarte uniformen en een rode fez kwam aan boord en joeg iedereen van de reling. Twee zieke militairen gingen van boord en werden naar een Engels militair hospitaal gebracht. Tegen 15.30 uur werden de trossen weer binnengehaald en voeren we het Suezkanaal in. De zon ging onder en om 18.00 uur was het pikkedonker.

Ondanks het mooie weer hebben we nog geen tropenuniform

Zondag 13 okt. ’46. Deze dag kwamen we om 4 uur in de ochtend aan in de stad Suez. Hier werd kleding ingeladen voor repatrianten en tegen 9 uur voeren we weer verder. We zagen haaien en vliegende vissen naast de boot en om 16.30 uur was heel in de verte de berg Sinaï te zien. Wat was het weer heet vandaag!

Maandag 14 okt. ’46. Vandaag voeren we door de Rode Zee. Af en toe was de kustlijn te zien, regelmatig passeerden er schepen, maar verder was er niet zo veel te beleven vandaag.

Regelmatig worden er schepen gepasseerd op de Rode Zee

Dinsdag 15 okt. ’46. Vandaag gaat wederom de klok een half uur vooruit; we krijgen vandaag 80 Engelse WOODBINE-sigaretten, 20 Amerikaanse Marvels, 5 sigaren, een reep chocolade en een sinaasappel. Vandaag was het eten redelijk terwijl het gisteren ronduit slecht was te noemen. Ook vandaag weer niets dan water te zien, de verveling stak dan ook de kop op.

Woensdag 16 okt. ‘46. De klok moest weer een half uur vooruit. Om ongeveer 11.30 uur passeerden we Perim en verlieten we de Rode Zee. We kregen een rondleiding over het schip door de 2e stuurman. Om 17.30 uur voeren we in het donker voorbij Aden. Ook hebben we vandaag onze geweren in moeten leveren omdat er een aantal overboord was gegooid.

Donderdag 17 okt. ’46. Opnieuw gaat de klok een half uur vooruit. Het eten werd er helaas niet beter op en een aantal officieren en onderofficieren is inmiddels ziek; maagpijn diarree en koorts.

Vrijdag 18 okt. ’46. Ook vandaag gaat de klok weer een half uur vooruit. De vervuiling nam toe en het eten was een groot vraagteken; aardappelen als glazen knikkers en de maden zaten in de pap. We kregen weer sigaretten enz. en vijf repen chocolade.

Zaterdag 19 okt. ’46. Weer gaat de klok een half uur vooruit; het tijdverschil werd hierdoor al 3½ uur. Er was inmiddels wat wind opgestoken en het schip slingerde nu een beetje. Opnieuw maden in de pap, ze waren wel 2 cm.

Lekker luieren op het bovendek en genieten van de zon

Zondag 20 okt. ’46. Nogmaals een half uur erbij; hopelijk is de wapenstilstand ook gunstig voor onze diensttijd in de Oost.

Maandag 21 okt. ’46. Het tijdverschil werd op 4½ uur gebracht. Het ritme van slapen en wakker zijn raakte meer en meer van slag. Om 12 uur voeren we ten zuiden van Ceylon. Ook was er nu tussen 12 en 13 uur geen zoet water meer beschikbaar.

Dinsdag 22 okt. ’46. Het tijdsverschil werd opgevoerd tot 5 uur en het weer veranderde. Er was geen zon meer en de wind werd heviger met af toe regen; het eten was weer eens slecht en de stemming aan boord werd er niet beter op. Opgeroepen werd om de warme hap niet meer te gaan halen. In een discussie zei een korporaal dat er zo misschien wel doden zouden kunnen vallen; waarop een overste antwoordde; Nu, dan gaan ze maar dood! Tegen 17.30 uur hield een arts van hospitaal een toespraak: Het eten is goed, alleen smakeloos klaargemaakt. Als je de maden uit de pap vist is deze goed te eten. De aardappelen moet je maar even pitten en de kool kun je zelf wel even klein snijden. Het eten is dus goed en als je het weg gooit heb je jezelf er mee. Ook de soep, warm water met een hele aardappel, is goed! Klap op de vuurpijl was wel, dat het broodrantsoen verlaagd zou worden.

Woensdag 23 okt. ’46. De klok gaat weer een half uur vooruit. We kwamen vandaag enkele schepen tegen. Behalve dat we van dr. Augustijn les in EHBO kregen, viel er niets te beleven.

We mogen passagieren op Sabang

Donderdag 24 okt. '46: Om ongeveer 7 uur varen we de baai van Sabang binnen. Hier werd water gebunkerd en mochten we passagieren, zodat we voor het eerst kennis konden maken met de Indische bevolking. Hier op Sabang kon je bij de bevolking Kokosnoten kopen voor maar 5 cent per stuk.

Het m.s. "Tegelberg" loopt de baai van Sabang binnen en zal spoedig aanmeren

Om 14.45 uur zetten we na drie weken weer eens de voeten op vaste bodem. We zagen kokospalmen, palmen met trossen bananen, inlandse vrouwen gekleed in een sarong en een jasje en op blote voeten. Verder zagen we een Japans krijgsgevangenkamp en Japanse soldaten en officieren die ons beleefd groeten. Om 18.00 uur waren we weer aan boord. Wat was het warm en wat waren we moe na onze wandeling!   

  

Zicht over de schitterende baai en het m.s. "Tegelberg" neemt water in

Vrijdag 25 okt. ’46. Het tijdverschil is inmiddels opgelopen tot 6½ uur. We waren om 18.00 uur vertrokken uit Sabang en voeren langs de westkust van Sumatra. Overdag hebben we veel regen, maar de temperatuur is hierdoor wel heerlijk. In het ruim was het echter erg benauwd zodat velen ’s nachts op het dek sliepen.

Zaterdag 26 okt. ’46. Een dag als vele voorgaande dagen, gelukkig dat de reis bijna ten einde was. De klok ging weer een half uur vooruit.

Herdenking van de scheepsramp op de Indische Oceaan

Zondag 27 okt. ’46. Vandaag worden de slachtoffers herdacht die op 18 september 1944 tijdens oorlogshandelingen noodlottig aan hun einde kwamen. Om 10.00 uur vanochtend als we ter hoogte van Padang varen, worden de scheepsmotoren stil gelegd. Iedereen staat ruimschoots op tijd aangetreden op het voor- en achterschip, het sloepen- en promenadedek. Ook de bemanningsleden staan opgesteld, met uitzondering van gezagvoerder dhr. Ingelse, de 2e stuurman en de 2e, 4e en 5e machinist, die vanuit het hart van schip de plechtigheid zullen volgen.

Nadat om 10.01 uur het laatste geluid van de scheepsmotoren is verdwenen, geeft Kolonel B.H. Gronewold van het KNIL het commando 'GEEF ACHT'. Hierna leest hij enkele verzen uit de bijbel voor. Vervolgens worden de troepen op de plaats rust gezet, waarna de Kolonel een treffende rede ten gehore brengt. Hierbij spreekt hij over de noodlottige scheepsramp die zich op 18 sept. '44 afspeelde vlak bij de Westkust van Sumatra. Daarbij verloren om 16.30 uur Javatijd 5626 mensen het leven, waaronder 1400 Nederlanders. Mensen die door de Jappen van Java naar Sumatra werden gebracht voor dwangarbeid, maar ter hoogte van Benkoelen bij vergissing door de geallieerden werden getorpedeerd. Deze mensen, zowel Nederlanders als Indonesiërs, militairen en burgers, de beste zonen uit ons volk, zijn in volkomen berusting hun dood tegemoet gegaan. Als slot sprak de Kolonel zijn dank uit aan de C.O.T. Luit.-Kolonel Boekkoei voor zijn medewerking en aan alle bemanningsleden van dit schip.

Terwijl de vlag op het achterschip halfstok hing, werd een minuut stilte in acht genomen en onder commando een eresaluut gebracht. Vervolgens werd het volkslied ten gehore gebracht. Met drie stoten op de scheepsfluit werd de plechtigheid afgesloten, de scheepsmotoren gestart en kon de reis verder gaan.

Later op de dag werd ook de evenaar gepasseerd. Tijdens de Neptunusdoop die daar het gevolg op was, werden enkele 'gelukkigen' geknipt, geschoren en gedoopt. Ter ere hiervan ontvingen alle passagiers het Neptunusdiploma.

De vulkaan Krakatau in de Straat Soenda

Maandag 28 okt. ’46. We voeren op halve kracht door de Straat Soenda omdat er gevaar voor mijnen bestond. Tegen 10 uur passeerden we de vulkaan Krakatau. Daar er een ernstig gewonde aan boord was, werd er alweer snel op volle kracht gevaren. Daar er het vermoeden was dat er het een en ander overboord geraakt was tijdens de reis, werd er ’s middags een inspectie van de uitrusting gehouden. Om 18.30 uur lagen we op de rede van Tandjong Priok.

  

Het m.s. "Tegelberg" vaart langzaam de haven van Tandjong Priok binnen 

Dinsdag 29 okt. ’46. Vanochtend om 08.00 uur moesten we met alle bagage aan dek staan en voeren we de haven binnen. Op de kade stonden de kwartiermakers ons te verwelkomen.

   

De kwartiermakers en een muziekkorps verwelkomen de jongens

Ze gooiden kokosnoten en bananen naar boven en om 10 uur gingen we van boord. Van het VHK (Vrouwen Hulp Korps) kregen we een pakje Player-sigaretten, een blikje bier en twee bananen. Daarna werden we op drietonners geladen en reden we via Batavia en Meester Cornelis naar Depok, in de richting van Buitenzorg (22 km.).

 Tom Alders te Krawang (16 april '49)

Met dank aan dhr. Tom Alders van het 2e Hup' VA voor zijn medewerking aan dit verslag. 

'Ere Sobat', mijn reisverslag met de Verbindingsdienst X-Brigade 

(John van Ingen)

Uitreis '46

Amsterdam - "Johan van Oldenbarnevelt" - Southampton

Southampton - "Kota Inten" - Batavia

(De opleiding)

Met het doel om uitgezonden te worden naar Nederlands Indië, werd door het Korps Verbindingstroepen een speciale eenheid geformeerd. Deze eenheid bestond grotendeels uit oorlogsvrijwilligers (OVW-ers) en een aantal reserveofficieren die in de jaren van vóór 1940 al als dienstplichtig militair werden opgeroepen. De militairen van de verbindingsdienst waren verdeeld over twee hoofdgroepen; de eerste groep waren militairen die bij de school voor verbindingstroepen in Den Haag gelegerd waren en de tweede groep zijn militairen van de Haagse Frederikkazerne.

Beide groepen kregen een gerichte technische opleiding als verbindingsspecialisten, zoals lijnwerkers, radiotelegrafisten, radiomonteurs, ordonnansen, medewerkers berichtencentra, chauffeurs en monteurs voor het rollende materiaal. Daaraan werd een eenheid toegevoegd met een speciale gevechtsopleiding, geïnstrueerd bij het Korps Commandotroepen. Deze gespecialiseerde gevechtsopleiding werd gegeven in kamp Vilheide te Mill en Wanroij. Daarna werden ze overgeplaatst naar Den Haag en ingedeeld bij het Korps Verbindingstroepen en gelegerd in de Alexanderkazerne. Zij zouden voornamelijk ingezet worden als chauffeur of motorordonnans bij verschillende verbindingsafdelingen, die over de gehele Indische archipel onder diverse Brigades zouden vallen.

Uit de groep die een technische opleiding tot verbindingsspecialist volgden, werd een aantal jongens geselecteerd die voor een kaderopleiding in aanmerking kwamen. Deze kaderopleiding werd in de Frederikkazerne gegeven. De Frederik- en Alexanderkazerne stonden beide met hun ingangspoorten pal tegenover elkaar, maar wel aan weerszijden van de straat. Zodra alle opleidingen waren afgerond (in het bijzonder die van de Verbindingsspecialisten), werd iedereen ondergebracht in het quarantainekamp achter de Frederikkazerne. Dat kamp bestond uit een groot aantal tweepersoonstenten met één centraal gelegen commandopost. Commandant was Grootmajoor A. van Ramshorst.

Het quarantainekamp achter de Frederikkazerne

Het enige gerief dat ze in dit tentenkamp hadden, waren een ijzeren krib, een matras en wat dekens. Gedurende het verblijf kregen ze de nodige injecties, waaronder een pokkenvaccinatie. Van de pokkenvaccinatie werden heel wat jongens enkele dagen behoorlijk ziek. Tegen het het eind van hun verblijf daar, begon de weersgesteldheid onaangenaam te verslechteren. Er was veel regen en harde windstoten zorgen er  in de inmiddels late avonduren voor, dat een groot aantal tenten van hun plaats werden gerukt. De duur van hun verblijf in dat quarantainekamp was van 1 september t/m 4 oktober '46.

Zaterdag 5 oktober '46. Vandaag vertrekken ze met trucks vanuit de verbindingsschool naar Hollands Spoor in Den Haag en vandaar met de trein verder naar de inschepingshaven in Amsterdam. Voordat de tweede afdeling goed en wel op het station arriveerde, werd hun compagniescommandant geconfronteerd met twee lieden die zich al tijdens het vertrek vanuit bij de verbindingsschool bij hun hadden aangesloten. Het tweetal was blijkbaar niet geschikt geacht voor uitzending naar Indië en door de kapitein meteen werden weggestuurd. En zo gebeurde het! Tenminste, dat dacht de kapitein, want diezelfde jongens kwamen ze later nogmaals tegen!

 Met het m.s. "Johan van Oldenbarnevelt" naar Southampton

In Amsterdam ligt het m.s. "Johan van Oldenbarnevelt" aan de Sumatrakade klaar voor vertrek

Ze gingen in Amsterdam aan boord van de "Johan van Oldenbarnevelt", bij inscheping kregen ze als afscheidsgroet van het Vaderland een pakje Camel-sigaretten uitgereikt. Om 15.30 uur vond de afvaart plaats en voeren ze via het IJ over het Noordzeekanaal en de Noordzee richting Southampton. Vanaf het dek was de kust van Holland nog geruime tijd goed te zien.

Maandag 6 oktober '46. Rond 08.00 uur kwamen ze aan voor de kust van Engeland, waar de krijtrotsen al goed zichtbaar waren. De gezagvoerder van het schip was Kapitein J.B. Roeterink en de 1e stuurman dhr. Okko Meyer. Tijdens de overtocht naar Engeland waren er al meteen jongens die ondervonden hoe was om zeeziek te zijn.

De beide 'onderduikers' van Hollands Spoor zijn ze tijdens de oversteek niet meer tegengekomen en bleven ook weg. Totdat iedereen in Southampton werd ontscheept  en opgesteld stonden op de kade. Wie stonden daar plotsklaps heel triomfantelijk aan de kade? De beide 'verstekelingen! Ze hadden zich tijdens de overtocht blijkbaar goed kunnen verstoppen en hebben de reis dus als blinde passagier meegemaakt. Uiteindelijk zijn ze meegegaan naar Aldershot, maar wat er daarna met hun is gebeurd is niet bekend.

Verblijf in de Ramillies Barracks te Aldershot 

In Aldershot werden zij gehuisvest in de Ramillies Barracks. Dit was typisch een kazernecomplex Engelse stijl, met stenen barakken en accommodatie voor administratieve diensten. Gedurende hun verblijf werden ze in diverse groepen geformeerd, met de bedoeling om zo ook in Indië bij verschillende brigades te worden ingedeeld. Ook werden ze hier alvast uitgerust met het tropenuniform en werd hun technische uitrusting alvast vooruit naar Ned. Indië verzonden. De periode dat ze in Engeland verbleven was mede afgestemd op het sein van hogerhand  om te kunnen vertrekken. Om deze periode optimaal te kunnen benutten, werden er verschillende commissies samengesteld; dat waren de commissies van ontspanning, algemene en technische scholing, geestelijke verzorging, algemene zaken, lichamelijke verzorging en de commissie V.P. voor uitgave van het orgaan De Verbindingsexpres. De commissie algemene scholing gaf cursussen in Russisch, Spaans en natuurlijk Maleis.

Het ontbijt dat wij hier kregen was heel anders dan wat ze thuis gewend zijn, het ontbijt was typisch Engels, met steevast als beleg marmelade, bacon met gebakken eieren en oer Engelse thee met veel melk erin. 

In de weekenden benutten veel militairen hun aangevraagde verlof om naar Londen te kunnen, wat na vijf oorlogsjaren voor hun een hele belevenis was. Want toen was het vrijwel uitgesloten om je vertier buiten je eigen woonplaats te vinden, laat staan in het buitenland. Zodra ze wisten dat ze permissie kregen om buiten het kampement te gaan, vroeg John van Ingen meteen weekendverlof aan. Zodat hij met vijf man sterk van 20 t/m 23 oktober naar Londen kon. Aan deze stedentrip hebben in volgorde van onderstaande foto deelgenomen, Jaap B., Henk O., John van Ingen, Nico S. en Eugène H. Eugène was de fotograaf.

Op de Waterloo-bridge

Uitstapje in Londen, John van Ingen is de tweede van links

Varend over de Thames een bezoekje gebracht aan Waterloo Bridge en het Hyde Park

Staand bij de trein en bushaltes werden ze al meteen geïmponeerd door de uiterste beleefdheid van de Engelsen, niemand zal daar ook maar enige moeite doen om voor zijn beurt plaats te nemen. Bij het busvervoer is het zelfs zo geregeld, dat men altijd één plaats vrijhoudt, zodat bij de volgende halte nog altijd minimaal een passagier meekan. De ondergrondse en dubbeldeksbussen waren voor hun een bijzondere belevenis. Overnachten in de ondergrondse bleek hier tijdens de oorlogsjaren heel normaal te zijn. Hier in Londen word je ‘s ochtends gewekt met muziek, iets dat voor deze jongens een absoluut novum is. Om hier te kunnen overnachten is het voor hun natuurlijk het meest aantrekkelijke om een zo goedkoop mogelijke kamer te vinden. Eten deden ze in de club van de Y.M.C.A.

Ze zijn er niet rouwig om dat het moment van vertrek uit Aldershot nadert. Het gevorderde jaargetij zorgde er namelijk voor dat de temperatuur in de barakken tot het minimum was gedaald. De temperatuur werd nog eens verergerd doordat er veel ruiten van de barakken stuk waren en van enige verwarming was ook al geen sprake.

Met het m.s. "Kota Inten" naar Nederlandsch-Indië

Zaterdag 23 november '46. Vroeg in de ochtend vertrokken ze met de trein naar de haven van Southampton en werden ingescheept op de "Kota Inten" (Diamanten-Stad). Heit was van oorsprong een vrachtschip met een beperkte accommodatie voor passagiers, maar werd later omgebouwd tot troepentransportschip. Als eerste marconist was de heer A.W. Belt aangesteld. In de ruimen werden standy’s als slaapplek aangebracht, gemaakt van een buizenframe met daartussen een stevig canvasdoek gespannen. De standy's zijn driehoog gestapeld met daartussen smalle looppaden. Op het voorste deel van het schip is de eetzaal gevestigd en vanwege de ligging is deze alleen via het bovendek bereikbaar.

Met het m.s. "Kota Inten" naar de Oost

Toen ze in het vaargebied van de Golf van Biskaje (vanwege het vaak onstuimige weer daar ook wel het 'Zeemansgraf' genoemd) aankwamen, kregen ook zij erg zwaar weer te verduren. Een storm met windkracht 11 en misschien wel 12. Als het schip met de achtersteven boven de golven werd uitgetild, begon het schip als daarbij ook de schroef boven water kwam, in al haar voegen te trillen en te kraken. De schroef begon daarbij telkens weer angstaanjagend te razen, te sidderen en te dreunen. Het leek dan net of het hele schip in haar laatste fase van bestaan verkeerde. Iedere keer als het schip met haar voorsteven tegen de golfslag indook, verspreide het één grote grijze nevel van uiteenspattend water over het dek. Om te voorkomen dat er ook maar iemand over de reling zou blazen, werd het hele bovendek met dikke touwen afgezet, zodat er niemand langs kon en het was meteen een goed afgebakend looppad waaraan je je kon vasthouden. Want langs dat touw was het de enige maar wel natte manier om bij de eetzaal te komen. Veel animo om te eten was er op dat moment eigenlijk niet, want een groot aantal jongens waren goed zeeziek en dan heb je natuurlijk geen behoefte om te eten. Voor anderen die er iets beter aan toe waren, namen hun maten wel iets uit de eetzaal mee. De storm was zelfs zo hevig dat de kapitein overwoog om een haven aan te doen, zodat ze daar konden wachten tot het weer wat beter werd.

Zodra ze de Golf van Biskaje gepasseerd waren en ter hoogte van Gibraltar voeren, werd de weersgesteldheid alweer beter en ging de temperatuur ook meteen weer omhoog. Langzaam maar zeker kwam de jongens weer vanuit de ruimen tevoorschijn en installeerden zich weer op de dekluiken, de enige plek aan dek waarop je redelijk kan zitten. Commandant kapitein B., door de jongens ook wel 'De Snor' genoemd, kwam ook weer tevoorschijn en dat was voor schrijver dezes dan ook meteen het eerste conflict met hem. Het ging over een aangelegenheid dat in feite op dat moment eigenlijk van geen enkel belang was. Zoals is aangegeven is was zijn commandant uitgerust met een behoorlijke snor. Kennelijk om zijn mannelijke enigszins te versterken? Zoals later in Ned. Indië zou blijken was dat niet geheel ten onrechte! Zodra hij zijn shorts op kniehoogte droeg en shirts met korte mouw had, bleek al snel dat zijn armen en benen overeenkwamen met een skelet, maar dan wel van iets normalere omvang. Zijn hoofd was in verhouding met zijn lichaam, die overigens wél enigszins robuust leek, klein en met de uitstraling van een pop. Dus hij wilde hij zijn verschijning enigszins onderstreping met zijn enorme snor. De moraal van het verhaal. Aan boord zat een eenheid van de Infanterie, die ten tijde van WO2 als dienstplichtig militair al hadden gediend. Zij hadden in die tijd onder  'De Snor' als commandant ook al dienst gedaan. Zij wisten over de wijze waarop hij toen functioneerde heel wat te vertellen, waaruit zou blijken dat de jongens aan boord de nodige argwaan moesten hebben ten aanzien van zijn bekwaamheid.

Veel vertier hadden ze aan boord overigens niet, totdat ze in Port Saïd aankomen. In deze havenstad ging het schip voor anker om water en olie te bunkeren. Verder was er een levendige handel met kooplui, die met hun bootjes om de achterzijde van het schip heenvoeren. Door hen werden lange touwen naar de reling van de "Kota Inten" gegooid, dat touw werd vervolgens onder de reling van de achtersteven doorgehaald en weer teruggegooid naar de bootjes. Er ontstaat dan een soort katrol waarbij een tas aan het touw wordt bevestigd, hierin kunnen dan de verhandelde goederen naar het schip worden getransporteerd. Met veel geschreeuw, loven en bieden brachten zij hun koopwaar aan de man. In de namiddag kwam er een goochelaar aan boord, maar zo te zien zonder goochel attributen, doch op een gegeven moment overal kuikentje vandaan toverde. Uit zijn hoed, zijn jas en broek, overal kwamen die beestjes vandaan, onder het uitspreken van een stortvloed aan onverstaanbare woorden en klanken, dit tot groot vermaak van de jongens. Vele jaren later was nog te gelezen, hoe die goochelaar al midden in de jaren dertig zijn trucs in de stad en op de binnenkomende schepen aan zijn publiek toonde.

Donderdag 5 december '46. Bij het passeren van de evenaar werd 'Neptunus' met zijn staf heel plechtig geïnstalleerd, om enkele individuele personen een rituele doop toe te dienen. Daarna volgde een symbolische doop voor alle opvarenden, waarbij een krachtige waterstraal over het dek wordt gespoten. De accommodatie van het schip was te beperkt om alle aanwezigen persoonlijk te dopen, maar er werd in ieder geval wel aan deze traditie voldaan, al was het dan wat bescheiden mate. 

Donderdag 19 december '46. Nadat ze de Kreeftskeerkring waren gepasseerd hadden ze verder een goede vaart. Ze voeren door de Straat Soenda met aan bakboordzijde de zuidkust van Sumatra en een eilandje met de krater Krakatau, die momenteel nog steeds actief blijkt te zijn. In de namiddag kwamen zij aan op de rede van Tandjong Priok en gingen daar buitengaats voor anker.

Vrijdag 20 december '46. Omstreeks 08.00 uur werd het anker gelicht en werd het schip in de juiste positie gebracht om de haven binnen te varen. De eerste aanblik van deze haven was er een van.... Tja, wat zal ik zeggen...., een haven met slechts enkele loodsen van grote roestige golfplaten, welke kennelijk dienst deden om goederen in op te slaan. Er stonden ook geen kranen aan de kade om de schepen te laden en lossen. Gebeurde dat dan nog steeds doormiddel van mankracht?

Muzikaal onthaal in Tandjong Priok

Tijdens het binnenvaren van de haven was een militair muziekkorps al druk in de weer om marsmuziek ten gehore te brengen en bij het aanmeren speelden ze het Nederlandse volkslied. Daarna volgden enkele welkomstwoorden van hoge lieden en kon de ontscheping beginnen. Op de kade werden ze opgesteld in formaties zoals dat bij de indeling van een brigade gebruikelijk was. De blakende tropenzon, die ze al geruime tijd als een ongenaakbare koperen ploert ervoeren, stond ook hier hoog aan de hemel. Terwijl ze in afwachting waren van de dingen die komen zouden, liep het zweet met dunne straaltjes over ons gezicht. Via de wenkbrauwen liep het zweet zo in je ogen en dat veroorzaakte een onaangenaam bijtend gevoel en hoe meer je weef des te erger het werd!

Tussenreis met het s.s. "Plancius" naar Soerabaja

  

De inscheping op het s.s. "Plancius" die hun naar Soerabaja zal brengen is begonnen

Zaterdag 21 december '46. Als na enige tijd het een en ander akkoord werd bevonden, ging hun onderdeel aan boord van de "Plancius", een schip van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (K.P.M.). Ook de afdeling die voor indeling bij de 'T'-Brigade te Semarang bestemd is ging mee. Om 12.00 uur was de afvaart, hetgeen stond aangegeven op een bord aan dek. Tot die tijd was iedereen vrij om te gaan passagieren in Batavia. Tegen de tijd van vertrek was iedereen weer terug aan boord, echter zonder de hebbende commandant 'De Snor', luitenant K. en nog een tweetal manschappen.

Toen de "Plancius" al onderweg was richting open zee, kwam 'De Snor' plots in vliegende vaart de kade opgerend. Hij probeerde wanhopig een van de loodsbootjes te regelen, zodat hij alsnog aan boord gebracht kon worden. Na wat heen en weer gedraaf en met het nodige armgezwaai lukte hem het wonderwel. Puffend en ploffend kwam hij in het bootje langszij en kon 'De Snor' via een noodtrap langszij alsnog aan boord komen. Toen de jongens aan boord door hadden wie daar zo op het allerlaatste moment nog aan kwam kakken, brak er natuurlijk een luidruchtig gejoel los en dat vooral omdat het die stoere commandant was.

Het s.s. "Plancius" maakte ook nog een tussenstop op de rede van Semarang

Zodra iedereen aan boord geïnstalleerd was, gingen ze als eerste naar de wasgelegenheid. Het waslokaal bestond uit een vierkantig bassin, waaruit je met een blikje water moest scheppen om dat dan over je lichaam te gieten, vervolgens inzepen en tot slot met datzelfde blikje afspoelen. Omdat menigeen niet door had hoe dat nu eigenlijk moest, wilden ze eigenlijk compleet in het bassin stappen. Gelukkig werd dat verijdeld doordat enkele oud-Indiëgangers hun met de gebruiken van dit schip op de hoogte brachten.
Zondag 22 december '46. Op deze dag kwam het schip aan op de rede van Semarang, hier vond de ontscheping plaats van de Verbindingsafdeling die ingedeeld werd bij de 'T'-Brigade. Omdat Semarang geen geschikte haven heeft, moesten ze met een landingsvaartuig (L.S.T.) aan land gebracht worden.

De aankomst op Oost-Java

Maandag 23 december '46. Op deze dag kwamen ze aan in de haven Tandjang Perak (Soerabaja). Vandaag is het hun beurt. Na de ontscheping volgt meteen het vervoer naar hun eerste kwartier op Java. Zij die in Batavia echt te laat waren in de haven en niet meer met de "Plancius" meekonden, zijn de volgende dag alsnog aangekomen. Gelukkig voor hun konden zij nu niet berispt of gestraft worden, want 'De Snor' was zelf immers ook te laat en ging dus zelf ook niet vrijuit. De eerste indruk die ze van Soerabaja krijgen was, dat deze stad aan weerszijden van een hoofdverkeersader is gebouwd. Dat viel meteen op toen ze vanuit de haven met trucks naar de van Hogendorplaan werden gebracht. Het lijkt dat deze stad het uiterlijk heeft van één lang uitgerekt lint, dat zich van noord tot zuid uitstrekt. Bij de eerstvolgende verkenning van Soerabaja ontdekten ze dat dit een levendige handelsstad is. Het klimaat is er warm en vochtig met vooral in de avonduren een erg benauwde atmosfeer. Bij de minst geringe lichamelijke inspanning begon je al te transpireren, met als gevolg enorme vochtplekken in je kleding. Door al dat overmatig transpireren hadden sommige jongens na enkele dagen al hinderlijke last van jeuk rondom de middel. Het enige wat hiertegen te doen leek, was zo min mogelijk krabben, anders zou het alleen maar verergeren.

Na aankomst in Soerabaja mochten ze eerst enkele dagen acclimatiseren, zodat ze enigszins gewend raakten aan dit klimaat. Daarna werden ze ingedeeld en ingezet waarvoor ze zijn opgeleid. Een groep lijnwerkers zorgde voor het in stand houden en uitbreiden van de telefoonverbindingen en radiotelegrafisten om de radiosets te bemannen en de berichtgeving te coördineren. Aan het berichtencentrum waren tevens centralisten en motorordonnances toegevoegd, die zorgdroegen voor het expediëren van de berichtgeving. Verder was er een dienst Motor Transport Onderdeel, (MTO), met automonteurs en chauffeurs. Voor de reparaties van alle elektronica was er een radiowerkplaats aanwezig. Dit alles werd onder leiding van een commandostaf geplaatst, bemand door een kapitein, een tweede luitenant en een administrateur. Later zou deze afdeling met enkele andere diensten worden uitgebreid, welke diensten dat werden was toen nog niet bekend.

Wij van de Verbindingsdienst X-Brigade (juli '49)

Thuisreis naar Nederland

Soerabaja - SS 'Merak" - Batavia   ⇔   Batavia - SS "Volendam" - Rotterdam

Met het m.s. "Merak" naar Batavia

Zaterdag 8 oktober '49. Het moment van vertrek was aangebroken. Ze moesten zich op deze dag gereed maken voor vertrek vanuit Malang naar Soerabaja.

Zondag 9 oktober '49. Om 07.00 uur zaten ze gepakt en gezakt op trucks, die hun naar de Verbindingsdienst 'A'-Divisie in Soerabaja zullen brengen. Om de laatste formaliteiten voor hun terugkeer naar Nederland in orde te brengen, verbleven ze in Soerabaja tot en met maandag. Vanavond werd door vrijwel iedereen de bloemetjes buiten gezet, maar een ding moest wel gezegd worden! Iedereen was weer op tijd binnen en er kwamen geen klachten binnen over wanordelijkheden. Alleen Wim Passenier was iets te laat, maar die wist zijn binnenkomst zo te verbergen, dat niemand van de buitenwacht het opgemerkte. Het was natuurlijk ook wel erg verleidelijk om weer eens lekker in een binnenstad als die van Soerabaja rond te kunnen hangen.

Dinsdag 11 oktober '49. De dag van vertrek was aangebroken. Om te zorgen dat alles zo ordentelijk mogelijk verliep had schrijver dezes iedereen laten weten hoe laat ze gereed moesten staan en hoe de verdeling in de trucks zou zijn. Eerst werden de plunjezakken ingeladen en daarna konden ze zelf plaats nemen. Er zouden bovendien handgeschreven instructies op het mededelingenbord komen. Hoewel de heren van de 'A'-Divisie van mening waren dat er eerst appèl gehouden moet worden, had hij dat overbodige gedoe op eigen houtje achterwege gelaten. Ondanks zijn beslissing was de commandant van de 'A'-Divisie (majoor van Katwijk) wel zo vriendelijk, om zijn adjudant naar de inschepingshaven te sturen om zijn complimenten vanwege de ordelijke aftocht over te brengen. De majoor wilde eigenlijk  dat ze ook 's avonds voor het slapen gaan appèl zouden houden voor de bedden, maar ook dat lieten ze achterwegen. Het motief om het appèl achterwege te laten was, dat het raar zou zijn als mensen die in de afgelopen drie jaar zelf al zoveel verantwoording namen, nu opeens op appèl zouden moeten. Ze waren bovendien nog maar met 37 man, dus er was zonder appel ook voldoende overzicht.

Het m.s. "Merak" aan de kade in Tandjang Perak (Soerabaja)

Vanochtend vroeg gingen ze met trucks naar de haven van Tandjang Perak en om 08.00 uur begon de inscheping op het m.s. "Merak" van de K.P.M. Om 17.00 uur vertrokken ze uit de haven. Evenals bij de heenreis gingen ze ter hoogte van Semarang op de rede voor anker en kwamen met behulp van een landingsvaartuig mannen van de "T"-brigade aan boord, zodat we gezamenlijk naar Batavia konden varen.

Donderdag 13 oktober '49. De aankomst in Tandjong Priok was om 08.00 uur, waarna al snel de ontscheping en vervoer naar Batavia plaats vindt. Na aankomst in Batavia, werden ze ondergebracht in de Koning Willem III kazerne. Voor de oorlog was dit een H.B.S. met diezelfde naam. Het was een oud gebouw met weinig voorzieningen en comfort, maar dat deerde de jongens niet. Ze hadden in voorgaande jaren al zoveel moeten ontberen, zodat dit eigenlijk niet eens opvalt. De dagen dat ze in de kazerne verbleven benutten ze om zich gereed te maken voor verstrek naar huis. Ze werden voorzien van uniformen die geschikt zijn voor het Nederlandse klimaat, ook pasfoto’s werden gemaakt ter completering van hun repatriëringspapieren. De avonden gaven hun de gelegenheid om nog eens goed uit te gaan, zodat het nog in bezit zijnde Indonesische geld opgemaakt kon worden. Restanten zouden ook ingewisseld kunnen worden, maar het merendeel gaf er toch liever de voorkeur aan om het hier uit te geven. 

Kort voor vertrek naar Nederland arriveerden er nog drie jongens, die tijdelijk naar een ander onderdeel overgeplaatst waren, het zijn Jan Akkerman en Willem Breider die bij de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) hebben gezeten en Nico Snel. 

Met s.s. "Volendam" terug naar Holland

Zaterdag 29 oktober '49. Deze dag begonnen ze om 06.00 uur aan de inscheping op het s.s. "Volendam". Het schip zou nog de gehele dag in deze haven blijven liggen, want ze vertrokken pas de volgende dag. 

Zondag 30 oktober '49. Om 10.00 uur was het dan zover, het s.s. "Volendam" kwam los van de kade en de terugreis was begonnen.

 

Het s.s. "Volendam" waarmee we terugkeren

Zondag 6 november '49. Ze voeren ergens tussen 06.00 en 11.00 uur bij het eiland Ceylon. Toen drong het eigenlijk het pas echt goed door, dat ze voorgoed afscheid hadden genomen van de tropische sferen zoals ze die de afgelopen jaren hadden gekend.

(Nog even een gebeurtenis die we tijdens onze terugreis ondervonden)

Het was maandag 14 november als ze om 05.30 uur tijdens de doorvaart van de Rode Zee het m.s. "Willem Ruys" passeren. Toen het bericht over deze passage werd medegedeeld, gingen ze allemaal aan stuurboordzijde van het schip staan, om daarvan getuige te kunnen zijn. Doordat de hele meute opeens aan één zijde van het schip concentreerde was, begon de "Volendam" gevaarlijk over te hellen, met als gevolg dat het schip tijdelijk onbestuurbaar werd. Via het omroepsysteem volgde al snel een oproep van de C.O.T. (commanderend officier troepen), met de mededeling dat iedereen zich direct over het schip moest verspreiden. Het toeval was, dat een groep dienstplichtigen (die ter aanvulling of aflossing ook in Indië waren geweest) dit euvel tijdens hun heenreis ook al hadden meegemaakt. Dat was in april '48 en dat gebeurde heel toevallig ook op de "Volendam" en wat nog toevalliger is..... Ook toen passeerden zij de "Willem Ruys". Dus dit was een gebeurtenis met een toch wel héél gemeenschappelijke ervaring!

Het geld waarmee we aan boord moesten betalen

Maandag 29 november '49. Na een reis van 31 dagen kwamen ze veilig en wel aan in de Rotterdamse haven. Voordat ze het schip verlieten, werd er door een militair muziekkorps marsmuziek en het Wilhelmus ten gehore gebracht. Hierna volgden enkele toespraken van hoge heren, waaronder de Minister van Oorlog dhr. Schokking. Deze betoogde dat men in het Nederland van nu geen grote behoefte heeft aan mensen met witte boorden, maar wel aan harde werkers. Als gevolg van WO2 moet er immers veel hersteld en opgebouwd worden. Als het vanaf de reling goed te zien was, droeg de minister zelf ook geen wit overhemd, maar een blauw hemd. Mogelijk om zo een fluitconcert of boegeroep vanaf het schip te voorkomen? De militaire top was ook goed vertegenwoordigd, want op de kade was het een druk heen en weer geloop van kerels met sterren en balken. Als de jongens zijn gedebarkeerd en de nodige afhandelingen in de loods hebben voltooid werden we per bus naar huis gebracht. Voordat ze zijn ingestapt krijgen ze ook een verlofpas en een bewijs voor vrij vervoer,. Deze zijn te gebruiken voor allerlei soorten van openbaar vervoer en geldig tot de volgende dag.

 

John van Ingen tijdens zijn verblijf op Java (Soerabaja)

Zie voor een uitvoerig verslag met de "Volendam" ook de uitreis '49 op deze website

Dhr. Wim Pelkmans gaat met het s.s. "Sloterdijk" naar Palembang (Sumatra)

(De reis van 5-3 RI naar Nederlandsch-Indië)

Toen wij uit Rotterdam vertrokken, met de "Sloterdijk" een hele oude schuit....

Het s.s. "Sloterdijk" ligt aan de kade in de Merwehaven

Voorwoord

Met dit verslag zal ik trachten mijn reis met het 5-3 RI naar Nederlandsch Indië zo goed mogelijk te beschrijven. Vooropgesteld moet worden; dat ik géén journalist ben, zodat het enigszins beholpen kan zijn. Ik zal mij even voorstellen: Ik Wim Pelkmans heb mij als vrijwilliger aangemeld voor de militaire dienst en werd ingedeeld bij het 3-3 RI. Door mijn kaderopleiding in de van Hornekazerne te Weert te voltooien werd ik sergeant. Een voordeel van de kaderopleiding zou zijn, dat mij een uitzending naar Ned. Indië bespaard zou blijven. Na mijn kaderopleiding kreeg ik de taak om dienstplichtige militairen op te leiden. - Het 3-3 RI is op 26 september ’46 met het m.s. "Kota Agoeng" naar Ned. Indië vertrokken. – Ruim één jaar later zou blijken dat in Ned. Indië een tekort was aan militairen met een kaderopleiding. Tijdens een gesprek met de kapitein werd mij al snel duidelijk gemaakt dat ik een van de ‘uitverkorene’ zou zijn, zodat ik alsnog zou moeten vertrekken. Meteen na deze kennisgeving werd ik met inschepingsverlof gestuurd, dat een week zou duren. Vanaf dat moment was ik bij het 5-3 RI ingedeeld en zou met dit bataljon, dat zojuist was opgericht, naar Indië vertrekken. In de week van mijn inschepingsverlof is het mij gelukt om met mijn verloofde te kunnen trouwen. Ik vertrok dus als pas gehuwd man naar een ver en onbekend land.

Aankomst en vertrek uit Rotterdam

 

De trein arriveert in het Rotterdamse havengebied en stop vlak bij de Merwehaven

Donderdag 4 december ’47: Vanuit de kazerne wordt 5-3 RI per trein naar Rotterdam gebracht. Eenmaal bij de havens aangekomen rijdt de trein tot vlak aan de Merwehaven, vanwaar de reis met de "Sloterdijk" zal beginnen. Ik ben voor deze reis bij de Militair Politie ingedeeld. Het zal tot in de avonduren duren, dat alles en iedereen gereed is en de reis kan beginnen. Vlak voor vertrek worden de familieleden toegelaten op de kade, zodat zij ons nog een allerlaatste groet kunnen brengen.

 

De eerste jongens gaan aan boord

Het is 20.30 uur als de kabels worden los gesmeten en de grote reis dan eindelijk kan beginnen. Als de boot eenmaal los is besef ik dat vanaf dit moment onze laatste verbinding met het vaste land voorlopig is verbroken. Eenmaal uit de haven zet de boot langzaam koers richting zee, voortdurend bijgestaan door een sleepboot. Velen van ons staan aan het dek om nog een laatste blik te werpen op vaderlands bodem, die ze twee jaren lang niet zullen zien. Het is werkelijk de moeite waard om Rotterdam en vervolgens Schiedam, als een lichtend sprookje aan het oog voorbij te zien glijden. Deze aanblik zal velen nog lang voor ogen hebben, ook gedurende hun diensttijd in de tropen.

Vrijdag 5 december ’47: Onze eerste nacht aan boord hebben we inmiddels achter de rug. In de vroege ochtenduren varen we door de Straat van Dover. We zien aan stuurboord de Engelse kust opdagen. Jammer dat het nog schemerig en slecht weer is.

Door de ochtendschemer is de Engelse kust moeilijk te zien en de krijtrotsen bij Dover zijn amper te onderscheiden

De meesten onder ons hebben niet eerder een vreemde kust gezien, zodat dit een machtig gezicht is. Van de Belgische kust hebben we overigens niets kunnen ontdekken, het was toen nog te donker. Inmiddels varen we het plaatsje Dover voorbij, dit is te herkennen door de vele lichtjes en de alom bekende Witte klippen van Dover.

De eerste zeezieken melden zich en zoeken alvast een plekje bij de reling

Terwijl we Het Kanaal binnen stomen vervaagd de kust langzaam. Om 10.00 uur zien we nog wel even het eiland Wight en daarna is er alleen nog water en lucht. Het zou geen 5 december zijn zonder een bezoek van Sinterklaas. Dus ook aan boord is daar aan gedacht. Hieronder zien we hoe de goedheiligman de brug van het schip verlaat, zodat hij elders nog meer bezoeken kan afleggen. Of hij bij het passeren van Spanje ook daadwerkelijk van boord zal gaan moet later nog blijken.

 

Zelfs Sinterklaas reist dit keer mee

Zaterdag 6 december ’47: Vandaag is er eigenlijk niets noemenswaardig gebeurd. Wel zien we behalve veel water en lucht ook een school van ± 20 bruinvissen aan stuurboord voorbij komen. Een mooi gezicht zoals die dieren uit het water tevoorschijn springen om er daarna weer in te verdwijnen.

Zondag 7 december ’47: Vanochtend komt rond 9.30 uur heel langzaam en heel wazig de kust weer in zicht. Steeds duidelijker wordt hij en omstreeks 11.30 uur is Kaap Finisterre goed zichtbaar. Dit betekent dat we de noordwest punt van Spanje hebben bereikt. Deze kaap is niet veel meer dan een kale rotsmassa met een vuurtoren erop en ondanks dat toch heel bekend uit de geschiedenis.

 

Kaap Finisterre is bereikt

Iedereen is blij dat we nu eindelijk weer eens land zien. Vooral omdat we tijdens het passeren van de Golf van Biskaje een flinke storm hebben meegemaakt. Het is ook een schitterend gezicht om ons eerste schip te zien passeren. Het is weliswaar een oude Engelse vrachtschuit, maar het is wél de eerste. Na het passeren van Kaap Finisterre verdwijnt de kust weer uit zicht, het is dan inmiddels 15.00 uur. Verder hebben we vandaag weer niets anders dan water en lucht om ons heen. Vanavond kunnen we nog wel genieten van een prachtige zonsondergang over een zeer rustige Atlantische Oceaan. Het is een machtig gezicht als je ziet hoe vele kleuren samensmelten om uiteindelijk in niets dan één zwarte massa te veranderen.

Deze militairen zijn het schip wat beter aan het verkennen

Maandag 8 december ’47: Vandaag om 09.15 uur komt de kust weer in zicht, maar nu is het de Portugese kust. Als het schip langzaam dichterbij komt ontwaren we een steile rotsmuur met daar achter een berglandschap. Iets later rond 11.30 uur naderen we Kaap St. Vincent. Werkelijk schitterend om te zien. Hoog boven op een steile rotswand, waaronder de golven in een vast ritme tegen stukslaan, verhef zich een wit klooster dat schittert in het zonlicht. Daarachter een laagvlakte en vervolgens weer een hoog gebergte. Na het passeren van deze kaap verwijdert de kust uit zicht, om tegen 21.00 uur weer tevoorschijn te komen.

Terwijl de was droogt is het op het bovendek goed vertoeven

We hebben de wereldbekende Straat van Gibraltar bereikt. Aan stuurboord is als eerste de stad Tanger waarneembaar, die door haar vele lichtjes in het donker goed zichtbaar is. Vervolgens zien we een steeds hoger wordende bergrug. Weer een ogenblik later ontwaren we een klein plaatsje dat diep verscholen in een baai ligt. Regelmatig passeren ons nu kleine bootjes met daarin minnende paartjes die een avondtochtje maken. Dan zien we na geruime tijd aan stuurboord nog een stad opduiken, dit blijkt Ceuta te zijn, waarna de Marokkaanse kust weer uit zicht verdwijnt. Na geruime tijd doemt in de verte dan eindelijk de Rots van Gibraltar op.

De rotsen van Gibraltar

In de donkere nacht is deze geweldige rotsklomp nauwelijks zichtbaar. Omdat hier een paar zieken van boord moeten, zullen we hem tot dichtbij naderen. Als we dichterbij komen ontwaren we steeds meer lichtjes en eenmaal tot vlakbij genaderd krijgen we een prima zicht op deze geweldige rotsmassa. We zijn hiermee aangekomen bij een belangrijk steunpunt van het Britse Imperium, omdat hier de sleutel naar de Middellandse Zee ligt. Honderden en nog eens honderden lichten branden op tegen de rotsen. Een juiste omschrijving hiervan is moeilijk te geven, maar een feestelijke verlichting bij ons op Koninginnedag is er niets bij. Op het hoogste punt van de rots brandt een groot licht dat dienst doet als markering voor het vliegverkeer. Doordat achter in de baai een groot verlicht passagiersschip ligt, kunnen we bepalen wat ongeveer de lengte van deze baai is.

Zomaar even poseren voor de camera

Dinsdag 9 december ’47: Inmiddels bevinden we ons op volle zee. Aan bakboordzijde zien we hoe de gletsjers van Sierra Nevada schitteren door de opkomende zon. De Sierra Nevada en de Pyreneeën zijn de enige gebergten in Spanje die sneeuw dragen. In de loop van de dag vervaagt de Spaanse kust, alweer is water en lucht ons enige uitzicht. Een mooi aanblik levert ons nog wel een stel dolfijnen, die met een ongelooflijke snelheid voor ons uit zwemmen en regelmatig boven water uit schieten. Ze zijn tussen de 80 cm en 1 meter lang en hebben net als walvissen een gat achter hun kop zitten. Hoewel de zee vanochtend spiegelglad was begint hij nu wat woeliger te worden.

Woensdag 10 december ’47: In het begin van de ochtend zien we in de verte de Afrikaanse kust weer opdagen. We varen inmiddels langs Tunesië en rond het middaguur passeren we op 500 meter afstand Kaap Blanco. Het is een gebergte waarop de weilanden duidelijk zichtbaar zijn. Verder zien we diverse witte gebouwen en dat sommige bergtoppen door de wolken bedekt zijn. Samen met de vlaktes, die scherp gelijnd aftekenen tegen de grillige vormen van de bergen, levert dit alles een schilderachtig plaatje op.

 

De Afrikaanse kust komt regelmatig in zicht

Na twee uur varen passeren we Kaap Bon en zijn hiermee bij het meest oostelijk gedeelte van de Tunesische kust aangekomen. Hier zijn enkele vuurtorens zichtbaar en verder is het even prachtig als Kaap Blanco. De kust verdwijnt daarna uit zicht en rond 19.00 uur zien we zowel aan bakboord- als stuurboordzijde verschillende rotseilandjes. Waar ze toe behoren en hoe ze heten weet ik niet.

Donderdag 11 december ’47: Bij het ochtendgloren passeren we het eiland Pantelleria. Dit eiland is voor de geallieerden in de tweede wereldoorlog enorm belangrijk geweest. Zij gebruikten het vanuit Afrika als springplank voor hun aanval op Sicilië. Als je het rotsachtige eiland zo bekijkt, zou je niet de indruk krijgen dat het zo’n belangrijke rol heeft gespeeld. Nadat we voorbij zijn gevaren en goed over bakboord turen, kunnen we heel vaag Sicilië waarnemen. Omstreeks 12.00 uur bereiken we het eiland Malta dat ten zuiden van Sicilië ligt. Dit eiland, dat tijdens de tweede wereldoorlog voor de Engelsen van groot belang is geweest, kunnen we van dichtbij bekijken. De Engelsen hadden hier een grote vlieg- en vlootbasis gestationeerd en als je goed kijkt kun je de verdedigingswerken nog zien. Het berglandschap, de stralende zon en het plaatsje Valletta achter in de baai, geven een sprookjesachtige indruk. Er komen enige oorlogsschepen aanvaren, die meteen naar de haven aan de andere zijde van het eiland gaan. Verder zien we een Spitfire van de R.A.F in de lucht, deze vliegt enige keren zeer laag over en langs ons schip. 

 

Het eiland Malta is bereikt

Als we onze reis voortzetten zien we geheel in de verte nog een stukje van Sicilië daarna alleen nog water en lucht. De "Sloterdijk" is vandaag precies een week onderweg.

Port Saïd

Vrijdag 12 december ’47: In de vroege ochtend gaan we voor anker in de haven van Port Saïd. Van boord mogen we hier niet, maar er is voor ons voldoende te zien. Aan bakboord zie ik de haven waarin veel schepen voor anker liggen, verder valt aan deze kant weinig te zien. Aan stuurboord is aanmerkelijk meer te beleven. Vanaf rechts gezien hebben we eerst de zee waar we zojuist vandaan kwamen en vervolgens het strand, duinen die wij thuis gewend zijn ontbreken hier. Vervolgens zien we de stad met fraaie gebouwen en palmbomen. Hieraan kunnen we merken dat we steeds zuidelijker geraken.

 Een statige gebouw van de Suezkanaal Maatschappij in Port Saïd

Een van de gebouwen dat ons als Hollanders meteen opvalt, is het gebouw van de Royal Dutch Airlines, ofwel de KLM. Het doet je goed om weer eens iets Hollands te zien.

Zelfs de KLM is hier vertegenwoordigd in de vorm van een reclamebord

We zien veel reclames, vooral Engelse maar ook enkele Hollandse, zoals die van de Philips radiotoestellen. Beneden ons zien we de kade met al haar bedrijvigheid. Ondanks dat het zondag is schijnen ze zich hier weinig van aan te trekken. Er wordt volop handel gedreven zoals bij ons op werkdagen.

Met de handelaren kunnen ze alleen vanaf de boot zaken doen

De diverse klederdrachten, die ons totaal vreemd zijn, is schitterend om te zien. Westerse kleding is hier een zeldzaamheid. Iedereen, zowel mannen als vrouwen, dragen lange jurken tot aan de grond. Het grootste onderscheid tussen hen is het hoofddeksel. De vrouwen dragen een kap over hun hoofd en de mannen een toot of een gewone doek. Blootshoofds zie je hier niemand. De mantels van de mannen zijn effen en die van de vrouwen zijn daarentegen bont gekleurd. Verder zie je ook typisch Egyptische klederdracht, zoals hun broek en fez. Er komt nog een boot binnen varen, het is de "Poelau Laut" van de Stoomvaart Maatschappij Nederland. Wederzijds gejuich en de beste wensen, wat ons een goed gevoel geeft.

De "Poelau Laut" van de SMN in volle glorie

Rondom ons schip zwerven inmiddels een aantal bootjes om goederen aan ons te verkopen. Ons werd met nadruk verboden om iets te kopen, zodat zij onverrichte zaken vertrokken. Eensklaps komt er een bootje langszij, waarin een goochelaar blijkt te zitten. Ook hij mocht niet aan boord, dus verrichtte hij zijn kunstjes in zijn bootje. Als dank wierpen we na afloop wat kleingeld naar beneden. Om 10.15 uur vertrekt het schip uit Port Saïd en varen we het Suezkanaal binnen.

In het begin passeren we nog een aantal mooie gebouwen, waarvan er een met zijn lichtgroene koepel bijzonder in het oog valt. Daarna wordt de omgeving steeds saaier, met links en rechts alleen woestijn. Ineens begint de wind op te steken en al spoedig belanden we in een zandstorm. Na ongeveer drie kwartier mindert deze zandstorm en kunnen we de woestijn weer zien. Regelmatig passeren we controleposten. Om ongeveer 14.30 uur naderen we Ismaïlia, dat gelegen is aan het Timsah Meer. Ook hier zijn de gebouwen weer mooi, met name een kerkje en het meer leveren ons een schilderachtig aanblik. Als we nog even doorvaren naderen we aan stuurboord het gedenkteken.

 

De gedenknaald langs het Suezkanaal

Dit is een monument ter herinnering aan de verdediging van het Suezkanaal tijdens de eerste wereldoorlog. Iets verder aan dezelfde kant zien we een groot militairkamp. Om 16.30 uur naderen we de Bittermeren. Het Grote en Kleine Bittermeer zijn samen dusdanig lang, dat ons schip er twee uur voor nodig heeft om er doorheen te varen. Het is inmiddels donker geworden en de lichtjes geven een schilderachtig schouwspel. Om 20.45 uur varen we opnieuw in open water, waar we voor anker gaan tot de volgende morgen. Van de stad Suez hebben we helaas niets kunnen zien.

Maandag 15 december ’47: We varen nu in de Golf van Suez. Aan bakboordzijde is de kust heel vaag te zien, maar aan stuurboord zien we hem bijzonder goed. Na een paar uur varen zien we aan bakboordzijde rond 14.00 uur de bekende berg Sinaï. Vele grillige vormen steken af tegen de hemel en wolken hangen rond de top van de berg. We varen inmiddels in de Rode Zee en na een laatste blik op deze berg zien we voorlopig weer niets dan water en lucht. De temperaturen gaan voelbaar omhoog en we varen nog ruim twee dagen door de Rode Zee.

Donderdag 18 december ’47: We hebben de oversteek door de Rode Zee voltooid en zijn in de ochtenduren het eiland Perim gepasseerd. Daarna varen we door de Straat Bab el Mandeb die in verbinding licht met de Golf van Aden. Bij het passeren van Perim kan je goed merken dat we in een tropisch klimaat zijn beland. Ondanks dat het een bergachtig eiland is zie je nu duidelijk de bossen afsteken, in tegenstelling met de eerdere eilanden die geen bebossing hebben.

Aden

Om 22.00 uur zien we de lichten opdoemen van Aden. Hier vaart het schip de haven binnen om olie en vers drinkwater in te nemen. Om 23.30 uur ligt het schip voor anker. Wij zullen ons tevreden moeten stellen met een blik richting de stad. De talrijke lichtjes van de stad leveren ook nu weer een sprookjesachtig aanblik en de vele volop verlichte schepen in de haven dragen er het hunne toe bij.

In Aden gaat het schip voor anker

Vrijdag 19 december ’47: Als we vanochtend bij daglicht op het dek komen, lijkt het net alsof er één grote plaat zich voor ons ontrold. Prachtig afstekend tegen de donkere bergen licht daar Aden. De plaats waar we zo naar verlangen, omdat hier de post wordt ontvangen. Hoewel het een bekende plaats is, is het echter best klein. Je zou hier geen stad met een wereldnaam achter zoeken. Bekijk je de stad vanaf het schip gezien dan zie je links eerst bergen, die stapsgewijs tegen elkaar afsteken. Aan de voet van deze bergen liggen schilderachtige gebouwen. Hoewel het nog vroeg is zien we veel verkeer op de kade. Zwaarbepakte dromedarissen vormen een waar contrast met de luxe auto’s in het verkeer. Gaan we iets meer naar rechts, dan zien we enige grote benzine en olietanks staan. Recht voor ons zien we een klein eilandje met enige gebouwen, die mooi afsteken tegen de achtergrond. Wanneer we geheel rechts kijken, dan vallen onze ogen meteen op een aantal schepen, waaronder zich ook een Engelse kruiser bevindt. Vervolgens zien we hoe de stad zich langzaam tegen de bergen verheft. Aden is geen echte havenplaats, maar meer een bunkerplaats. Hier worden alleen de levensbehoeften aan land gebracht.

 

In de haven van Aden liggen behoorlijk wat schepen te wachten

Kades zoals we die in Rotterdam kennen hebben ze hier niet. Over de plaats zelf kan ik verder niets vertellen, hiervoor zou je stad eerst eens goed moeten bekijken. Rondom de "Sloterdijk" zwermt het van de kleine bootjes met kooplui die hun koopwaar aanbieden, zoals dadels en sigaretten. Ze worden enige keren weggejaagd door de politie, maar brutaal zoals ze zijn keren ze steeds weer terug. Je bent nu wel in staat om de mensen hier eens goed te bekijken. De huidskleur is erg donker, tegen het zwarte aan en het haar is zwart en kroezig en hun kleding bestaat simpel uit een jurk en jasje. Een knaap van ongeveer 15 jaar komt naar onze boot gezwommen en laat enige staaltjes van zijn duikkunst zien, namelijk het opduiken van de door ons toegeworpen geldstukken. Ieder muntje dat door ons overboord in het water is geworpen, komt met grote behendigheid ook weer naar boven, waarna ze het in hun mond bewaren tot een volgende duik. Om 20.30 uur komt een Engels troepenschip de haven binnenvaren en een half uur later vertrekken wij weer. Als we langzaam van Aden wegglijden, begint onze laatste etappe van de reis.

Zaterdag 20 december ’47: In de loop van de ochtend zien we aan stuurboord de Afrikaanse kust weer en om 11.00 uur passeren we Kaap Quardafui, het meest oostelijke deel van Afrika. Omdat we al meerdere kapen hebben gezien hebben we voor deze niet meer zoveel aandacht. We zijn nu op de Indische Oceaan beland, dus de grote oversteek kan beginnen. Om 14.00 uur zien we in de verte aan bakboordzijde een paar kleine eilandjes opdoemen, waarvan het grootste Appelcurie is. Ondanks de grote afstand kunnen we toch de dalen en bergen goed onderscheiden. Daarna is het weer niets dan water en lucht en het zal nog wel even gaan duren voordat we weer land in zicht krijgen.

Dinsdag 23 december ’47: Vandaag passeert ons de torpedojager Hr. Ms. "Evertsen", die op weg is naar Nederland. Het doet je heel goed als je na enige dagen van alleen maar water en zee iets Nederlands voorbij ziet komen. In de nacht van 23 op 24 december passeren we het eiland Minicoy. Ook zijn er deze dagen veel vliegende vissen waar te nemen. Ze hebben de grote van een haring en zijn in scholen van gemiddeld zo’n 30 tot 40 stuks te zien. De afstand die ze vliegend kunnen bereiken is ongeveer 25 meter.

Donderdag 25 december ’47: In de loop van de ochtend zien we geheel in de verte Ceylon liggen. Voor ons is alleen goed te onderscheiden dat het een bergachtig eiland is.

Sabang

Zaterdag 27 december ’47: In de loop van de middag is er weer land in zicht. Nu is het Poelau Weh waarop Sabang ligt. We stevenen recht op het eiland af en de dichtbegroeide bergen zijn al goed zichtbaar. We varen door een smalle vaargeul waarna we de schitterende baai van Sabang binnen varen. Vanuit zee is deze baai en haar prachtige natuurlijke omgeving niet te zien. Overal om je heen zie je bergen met palmen en andere tropische gewassen. Het schip nader de kade steeds dichter en om 19.00 uur liggen we aangemeerd. Het is dan al bijna donker zodat er niet veel te zien valt.

Op het eiland Poeloe Weh zullen ze bij de steigers van Sabang aanmeren 

Zondag 28 december ’47: Als we ’s ochtend vroeg op het dek komen zien we Sabang in al zijn pracht. Voor ons licht een van hout getimmerde kade en daarachter de stad en het mooie landschap.

De typisch houten steiger valt van Sabang meteen op

We zien overal palmbomen die rijkelijk zijn voorzien van kokosnoten. Je moet dit eiland echt zelf zien om een indruk te krijgen hoe het er in werkelijkheid uitziet. Vandaag zetten we dan ook voor het eerst tijdens de reis voet aan wal. Voor het eerst sinds 4 december weer vaste grond onder de voeten. Ver van Nederland maar wel behorend tot Nederland. Zodra we de kade verlaten hebben worden we direct omringd door een stel knaapjes met klappers en bananen. Na vijf minuten wandelen hebben we de rand van Sabang bereikt. Een stad is het niet echt te noemen, het is meer een straat met in de omgeving een aantal huizen. Wanneer we daar wandelen, bemerken we dat zowat ieder huis een toko is. Veel te koop is er eigenlijk niet en de huizen hebben meer weg van krotten. De bevolking die we tegenkomen zijn meest inlanders en Chinezen.

De natuur op Sabang is prachtig en er loopt een lange weg over het eiland

We lopen de straat door en belanden dan langzamerhand in een meer bosrijk gebied. Links van ons zien we enige olietanks, die door de Jappen in brand werden geschoten, evenals sommige huizen. Rechts van ons komen we langs een zwembad, het zal vast met zoet water zijn, maar we lopen toch door. Als maar onder de indruk van de prachtige natuur, die wij Nederland niet gewend zijn. We zien vlinders met de meest schitterende kleuren en zo groot als een hand. Inmiddels is het weer tijd om terug te keren naar onze boot. Rijk beladen met klappers en bananen komen we weer aan boord. Om 16.00 uur worden de trossen los gegooid en gaat de reis weer verder en na enige tijd zitten we alweer op volle zee.

Sumatra

Maandag 29 december ’47: In de ochtend naderen we de kust van Sumatra. Dit is het eiland waar we vermoedelijk 2 jaar lang zullen doorbrengen.

Dinsdag 30 december ’47:  We varen nu regelmatig langs eilanden en om 12.00 uur zien we aan bakboordzijde de stad Singapore. Een reisachtige havenplaats zo te zien. Verder passeren we ook nog enkele eilandjes die tot de Riouw Archipel behoren.

Woensdag 31 december ’47: We liggen nu in de Straat Banka voor anker, voor de monding van de rivier de Moesi. Aan bakboordzijde zien we het eiland Banka dat bekend is voor haar tin. Hier worden we overgezet op het landingsvaartuig de "Albatros"

Het s.s. "Sloterdijk" gaat op de Straat Banka voor anker

  

Op de Straat Banka gaat 5-3 RI van boord en stapt over op het LST "Albatros" die hun via de Moesi aan land zal zetten

   

Langzaam wordt de afstand tussen beide schepen groter

Daarna zetten we koers richting de rivier de Moesi, waarover de reis 8 uur zal gaan duren. De Moesi is ongeveer 150 meter breed en 750 kilometer lang en de oevers zijn overal dicht begroeid met allerlei planten, struiken en bomen.

Drukte op het dek van het LST "Albatros" terwijl ze over de Moesi varen 

Af en toe passeren we een kampong en in de vooravond de stad Pladjoe waar de B.P.M. is gevestigd. Het gehele complex is verlicht, wat ’s avonds een prachtig gezicht oplevert. Het heeft wel veel weg van de Philipsfabrieken in Eindhoven. Om 19.30 uur ligt de "Albatros" aan de kade bij Palembang en is onze reis over water ten einde.

   

Over de Moesi vaart ook een invasieschip en met Palembang is voor 5-3 RI het einde van hun reis bereikt

 Tot zover het verslag over mijn reiservaringen met het 5-3 RI naar de tropen.

Met hartelijke dank aan dhr. W. P. (Wim) Pelkmans, voor zijn medewerking en het mogelijk maken van dit verslag.

Pagina 2 van 3

  • 1
  • 2
  • 3
Designed by Gort-Design