Boordgeld een nooduitgifte

 

"De geldzuivering"

Het ontstaan van boordgeld is het gevolg van de geldzuivering direct na de Duitse bezeting. Tijdens deze bezetting mochten alleen door de Duitsers goedgekeurde bankbiljetten in omloop zijn. Veel van de in omloop zijnde bankbiljetten hadden een afbeelding of tekst die in verband werden gebracht met ons koningshuis. Deze werden vervangen of aangepast. Aan het eind van de oorlog bleken enrme hoeveelheden geld in de roulatie te zijn. Vele keren meer dan verantwoord was, zodat meteen na de bevrijding een geldzuivering van groot belang was.

De Nederlandse Bank had haar verplichting, dat tegenover het in omloop gebrachte geld een zelfde hoeveelheid aan goud opgeslagen zou liggen als bankgarantie. Onze bezetter had daar natuurlijk geen enkele boodschap aan, zodat het in omloop gebrachte geld in de oorlogsjaren vele malen hoger was geworden dan ooit kon worden verantwoord. Daar kwam nog bij dat veel geld met de zwarte handel en andere duistere zaken was verdiend. Onze regering was hierdoor wel genoodzaakt om op kort termijn een algehele geldzuivering in het leven te roepen.

Hieronder drie coupures van de zogenaamde "Oorlogsbiljetjes"

Image

"Staalmeester", naar een schilderij van Rembrand van Rijn

Image

"Het Prinsesje", naar een schilderij van Paulus Jansz. Moreelse

Image

"Luitspelende vrouw", naar een schilderij van Philips van Dijk

Deze geldzuiverigen was geen eenvoudige en tijdrovende zaak. Eerst moest een compleet nieuwe serie bankbiljetten ontworpen en gedrukt worden. zodat het oude vervangen kon worden. Ook moest uitgezocht worden bij wie en hoeveel geld  bij een rechtmatige eigenaar hoorde. Dit laatste kon het best worden opgelost door een ieders kapitaal te bevriezen en vervolgens de nieuwe bankbiljetten in omloop te brengen. Zo was er een korte periode dat niemand kon beschikken over zijn of haar banktegoeden. Gelijktijdig moest ook het contante geld worden ingewisseld tegen nieuw geld. Het inwisselen van contant geld kon alleen als men het ook daadwerkelijk kon verantwoorden. Dat gold uiteraard ook voor de 'bevroren' banktegoeden. Was er geen duidelijk uitleg over de herkomst dan werd er niet overgegaan tot uitbetaling.  

Zo was het ook dat tijdens de geldzuivering iedereen een moment even 'rijk' was. Iedereen had één week lang niet meer dan tien gulden aan kleingeld te besteden. De geldzuivering werd uitgevoerd onder leiding van minister van financiën P. Lieftinck, wat er de oorzaak van was dat men die tien gulden aan kleingeld ook wel het 'Tientje van Lieftinck' noemde. Niet lang na deze maatregel werd ook het nieuwe ontwerp van het hieronder getoonde biljetje in omloop gebracht, welke later echter ook de bijnaam Lieftincktientje zou krijgen. Dit was ten onrechte, want het Lieftincktientje bestond immers uit tien gulden aan klein geld.

Image

Het "Lieftincktientje"

De opzet en het gevolg van de geldzuivering was, dat al dat zwarte geld niets meer waard was en als oud papier naar de vuilnisbak kon verdwijnen. Ondanks deze maatregel werd er toch wel een hoop van dat zwarte geld bewaard, want je wist het maar nooit. Momenteel is er nog steeds veel van dat geld te vinden in het verzamel-circuit, de verzamelwaarde hiervan is dan ook een stuk minder dan het geld wat voor en na deze oorlog werd uitgegeven.

Gevolgen van de geldzuivering voor de scheepvaart

De geldzuivering had mede tot gevolg dat er in principe ook geen geld mocht worden uitgevoerd, hierop waren wel uitzonderingen maar deze dan alleen onder strenge bepalingen. Deze maatregelen zouden ook voor een groot probleem zorgen voor het betalingsverkeer tijdens de internationale scheepvaart. Juist in de periode van de geldzuivering en het verbod op uitvoer van Nederlands geld voeren veel schepen op Nederlandsch-Indië. Dit hoofd-zakelijk met militairen, emigranten en repatrianten als passagier, want in onze overzeese kolonie was het alles behalve rustig. De Japanners waren dan wel gecapituleerd, maar daar meteen opvolgend zorgden de republikei-nen voor nieuwe onlusten, want zij wilden onafhankelijk worden van Nederland en dat liefst zo snel mogelijk. De zogenoemde Bersiapperiode brak aan, welke werd beantwoord door de Politionele acties van Nederlandse zijde. Voor het transporteren van de vele militairen heen en de repatrianten terug, moesten dan ook een groot aantal schepen worden ingehuurd, die verdeeld over een groot aantal reizen zorg zouden gaan dragen voor de aan- en afvoer van al deze mensen.

Munten en waardebonnen uitgegeven als boordgeld

De "Waardebonnen"

Tijdens deze lange reizen, die gemiddeld drie tot vier weken zouden duren, was het wel noodzaak dat er een betaal-middel kwam zodat men aan boord de nodige inkopen kon doen, ook moest men kunnen betalen voor bepaalde diensten zoals bijvoorbeeld de kapper en fotograaf. Er werd dan ook een noodbetaalmiddel in het leven geroepen in de vorm van boordgeld of ook wel scheepsgeld genoemd, dit nieuw ontworpen noodgeld werd zowel in munt-vorm als biljetjes uitgegeven. De biljetjes kregen het principe van een waardebon, dat wil zeggen dat men ze na afloop weer kon inwisselen voor het gangbare geld, dit gold natuurlijk ook voor de munten. De uitvoering van de biljetjes is simpel van opzet en de waarde van de coupures loopt op van 1 cent tot 25 gulden, de laagste coupu-res van 5 cent, 10 cent, 25 cent en 1 gulden waren het meest voorkomend in het betalingsverkeer. 

Image

Collage boordgeld, het nieuwe noodgeld in de vorm van waardebonnen

De drie belangrijkste maatschappijen die de reizen naar Nederlandsch-Indië voor hun rekening namen waren, de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd (KRL), de Holland Amerika Lijn (HAL) en de Amsterdamse Stoomvaart Maat-schappij 'Nederland' (SMN). De speciaal hiervoor ingerichte (vaak omgebouwde) vracht- of passagiersschepen konden per reis vele honderden passagiers vervoeren, sommige schepen hadden zelfs een capaciteit van ruim vijf duizend militairen. De reis duurde gemiddeld drie tot vier weken, maar het kwam ook voor dat de reis wel zes weken zou duren. De reisduur was natuurlijk ook afhankelijk van het type schip waarmee gevaren werd, want een ouder type schip deed er al snel een week langer over.

De "Munten"

Voor de uitgifte van munten waren de HAL, de SMN en van Ommeren de bekende maatschappijen. De HAL bracht slechts drie waardes in omloop, namelijk die van 5, 10 en 25 cent. Van Ommeren bracht een waarde meer in omloop dan de HAL, maar niet de laagste waarde van 5 cent, wel de munten van 10, 25, 100 en 250 cent. De SMN bracht verreweg de meeste waardes in omloop, namelijk de 5, 10, 25 (rond), 25 (vierkant), 50, 100, 250 en 500 cent. Het kwartje van de SMN kwam, zoals hierboven staat vermeld, in twee uitvoeringen in de roulatie. De reden was, dat de eerste uitgave (de ronde munt in brons) al vrij snel vervangen moest worden. Er kwamen namelijk steeds vaker klachten binnen vanuit Amerika, omdat deze ronde kwartjes ook prima pasten in een groot aantal automaten daar, dit natuurlijk ten nadele van de verkopende partij. 

Bekend is dat bij de SMN in eerste instantie drankcoupons in omloop waren. De passagier kocht dan vóór aanvang van de reis deze drankcoupons in, om deze ter betaling te gebruiken voor zijn of haar verteringen. Dit systeem werkte goed, maar men vond het wel een omslachtige bedoening, vooral bij de nacontrole als een schip haar rondreis had volbracht. Ga maar na: de omzet aan drank op een groot passagiersschip als de "Oranje" lag per reis gemiddeld op ongeveer 70.000 (toenmalige) guldens. Zo'n bedrag omgerekend in bonnetjes bracht vanzelfsprekend een enorme papierlawine met zich mee, die steeds weer geteld en verantwoord diende te worden. Het uitbrengen van het boord-geld zou dan ook enorm veel administratief werk uit handen nemen.

Image

25 cent SMN

ImageImage

25 cent HAL

Image

250 cent van Ommeren

Hierboven drie munten van maatschappijen waarvan bekend is dat zij dat boordgeld in muntvorm uitgaven.

Praktisch en curieus was het boordgeld van de SMN zeker te noemen. Het succes was zelfs zo groot, dat de munten na de periode van beperkende deviezenmaatregelen nog een aantal jaren in omloop zijn gebleven. De Rijksmunt in Utrecht, bekend door het vervaardigen van de Nederlandse munten, kreeg in 1947 opdracht voor het slaan van deze serie. Voor de maatschappijen was het een extra meevaller dat de munten vaak werden meegenomen als souvenir, want dat was natuurlijk pure winst. Ook werden resterende munten na afloop van een reis vaak in de fooienpot ach-tergelaten.

De grootste ontvangers van het boordgeld waren de barkeepers, de winkel en de fotograaf. Deze stortten de ontvang-sten regelmatig bij de administrateur, die daarvoor een kwitantie afgaf. De kapper (die vaak zowel de kapsalon als de winkel beheerde) en de fotograaf waren in feite particuliere ondernemers, die officieel toch wel als schepelingen waren aangemonsterd.

 Image

 Image

Folder van de Stoomvaart Maatschappij 'Nederland' betreffende de boordgeldmunten

Semper Mare Navigandum

Nauw betrokken bij de ontwikkeling van de munten was de heer Jan Bax, die werkzaam was op de afdeling Finan-ciën van de SMN. Vermoedelijk geînspireerd door de spreuk "God zij met ons" op onze oude guldens en rijksdaal-ders, ging hij zoeken naar een passend randschrift voor het boordgeld. Dit deed hij met zijn goede vriend Nijenhuis, directeur van het Hervormde Kerkeraadsbestuur in Amsterdam. Deze had veel contacten met predikanten en al snel kwam er een passende Latijnse spreuk op tafel, "Semper Mare Navigandum", wat betekend "De zee zal altijd worden bevaren". Kort, krachtig en zeker een toepasselijke spreuk voor het boordgeld. Alleen de munten van 50 cent en ho-ger werden van deze randschrift voorzien.

Image

Folder van de SMN met de koers van de munten

De "Passagierscheques""

Niet te verwarren met het papieren boordgeld (waardebonnen), waren er ook passagierscheques in omloop. Het verdiende wel aanbeveling, dat de passagiers zich vóór aanvang van de reis in het bezit stelde van deze SMN passagierscheques. De coupures van 10 en 25 gulden (NED CRT) waren tegen contante betaling verkrijgbaar, bij zowel de afdeling Financiën der Maatschappij als bij haar agentschappen. Tegen inlevering van deze cheques kon men dan tijdens de reis gemunt boordgeld verkrijgen. Met zo'n passagierscheque was het ook mogelijk, om in een keer een grote uitgave te doen. Zo zou bij een grote uitgave in de scheepswinkel, of bijvoorbeeld voor een excursie aan land, de administrateur de passagierscheques aan de achterkant kunnen fiatteren als direct betaald. Dat zou de passagier het torsen van een zware zak met munten besparen.

Image

Een folder met de "Passagierscheques" van 10 en 25 gulden en het muntgeld